Posts tonen met het label verhaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verhaal. Alle posts tonen

22 augustus 2025

kut met peren

Achteloos ben ik er ontelbare keren voorbij gestapt of gefietst. Nooit was mijn oog op het aanbod gevallen, ik was nooit op zoek naar een café in die straten.
    Hoe het mij toch ineens is opgevallen, weet ik niet meer. De verbazing zal te groot geweest zijn. Aan de ruit hangt, duidelijk zichtbaar, een vreemde tekst in oplichtend gekleurd glas. Is dit een reclame voor een uitzonderlijk aanbod? Hoe komt het dat ik dit nog niet opgemerkt heb? Meestal ben ik hier wel met de fiets voorbij gereden, nu ben ik op een slenterende manier op dezelfde weg.
    Zo een vreemd gerecht wekt onmiddellijk mijn nieuwsgierigheid. Dat had het ook gedaan wanneer het mij was opgevallen. Is het de eerste keer dat de lichtbuizen zo flikkeren, dat valt inderdaad erg op. Een schoonschrift in gele en blauwe kleur meldt me ‘kut met peren’. Verwonderd schudt ik mijn hoofd, heb ik juist gelezen? De slenterpas is er zelfs bij stilgevallen, ik wil zekerheid.
    ‘Kut met peren’, duidelijker kan het niet. Ik ben toch niet in de rosse buurt, waar een lichtekooi zich telkens opmaakt voor haar specialiteit? Een kroeg met een drukbevolkt terras, dat is toch niet mogelijk zo! Of is er een speciale kamer? Zo één als de pezenkamer die altijd zeer privé en aan het zicht onttrokken is. In de hoerenbuurt zal dat misschien bestaan, in een doodgewoon drukbezochte aangelegenheid sluit ik die mogelijkheid uit. Hier wordt de kut wel met peren aangeboden. Vers of ingelegd? Warm of koud? Welke soort peer? Mogelijkheden te over, maar toch niet op deze plaats. En … zou een vrouw dat wel doen? Er worden inderdaad verschillende vormen van genot aangeboden, deze ken ik niet, nog nooit van gehoord. En dan nog: op deze plaats?
    Het moet iets anders zijn, zo in een doordeweeks café. Heeft men een dier gevonden waarvan dit onderdeel geserveerd met peer, lekker is? Van vleeseters kan men veel verwachten. Wordt het hoofdbestanddeel bewaard in de vriezer? Wordt het dan gestoofd of gebakken. Moet de peer koud of mee opgewarmd? En welke soort van peer is het dan? Harde, sappige, zoete, …?
    Is dit gerecht wel goedgekeurd door de dierenbescherming, dat zou ik kras vinden. Dus dat idee kan ik wel aan de fantasie laten, ver van de werkelijkheid.
    Maar waarom hangt die blikvanger dan zo opvallend fonkelend aan de zijruit?
    Benieuwd, die uitdrukking vraagt een verklaring. Hiervoor ging ik op zoek op internet. En dan moet ik een heel eind in de tijd teruggaan, lijkt me. Vreemd voor een café met jonge uitbaters. Of zochten ze naar een treffende slagzin die weinigen zouden begrijpen en waar ze aandacht met konden trekken?

Zelfs in het etymologisch woordenboek wordt ik doorverwezen naar een ‘Woordenboek van Populair Taalgebruik’, verzameld door Marc de Coster. “Kut met Dirk, kut met peren, kut met een rietje. (1968) (inf.) gezegd van iets dat waardeloos is. Vgl. dat slaat (rijmt) als kut op Dirk; knudde* met een rietje. Volgens Endt (Bargoens Wdb. 1974) zou Dirk een verbastering kunnen zijn van 'drek', via de dialectische uitspraak 'dèrèk'. 'Kut met peren' wordt soms eufemistisch verkort tot KMP.”

26 oktober 2024

Krol en Kwispel

Er was een tijd dat de mensen de taal van de dieren nog begrepen. Wanneer een poes niet vriendelijk was tegen een hond, dan kon een persoon horen waarom deze lieve diertjes toch zo onhebbelijk waren tegen elkaar.
    Nu denken wij dat kat en hond een andere taal spreken en ze elkaar niets kunnen uitleggen. Niets is minder waar; de poes die haar rug krolt en precies aan het blazen is? Haar tanden aan de hond laat zien? Zegt eigenlijk zeer vieze woordjes tegen dat lieve beest.
    In die lang vervlogen tijd durfde de mens die erbij stond, luisteren en vragen om op een beleefde manier uit te leggen wat het probleem was voor de poes. Wanneer hij haar troostte en daarbij lieftallig aaide, zachtjes sprak en op geduldige wijze verder bleef horen naar de poes en het antwoord van de hond, en af en toe een vraag stelde, werden de diertjes meestal dikke vrienden.

De poes strekte haar nagels graag uit, en plantte die dan in de grond om zich zeer stevig en machtig te voelen. Voor het hondje kwam dit zeer bedreigend over. Die zakte dan door de voorpoten om met de staart tussen de achterpoten op de grond te liggen. Gespannen wachtte hij de reactie van de poes af.

Door de troostvolle woorden van het mensje kwamen beide tijdelijk tot rust. Zo kon de poes haar boosheid verklaren. De hond keek verwonderd, besefte dat hij fout had gedaan. Hij had toch niet geblaft! Hij was toch niet dreigend rond de poes beginnen kruipen! Waarom was dat poesje dan boos? Hij begreep het niet.

Het menskind dat er eerst bij was, wist niet goed wat ze zou zeggen. Gelukkig kwam haar mama eraan. Zoals naar haar eigen kinderen, keek zij naar de dreigende poes en de bange hond. Zo bleef ze een tijd doordringend kijken tot de aandacht van poesje en hondje naar haar bewegingen ging. Mama nam haar dochter in de arm, troostte haar omdat zij het niet begreep. Nu vroeg ze aan de poes, zoals haar dochtertje ook gedaan had, wat de reden van de boosheid van het poesje was. De poes keek verwonderd naar de mama omdat die niet boos werd. Ze begon kopjes te geven aan het kind.
    Maar nee poesje, nu ben je lief. Maar waarom was je boos op het hondje?’   
     Miauw’, zei de poes op een klaaglijke manier, ‘miauw, ik weet het niet meer!’
    Ach’, zei het hondje, ‘ik denk dat het is omdat we regelmatig onze agressie kwijt moeten. En wie is daarvoor het beste slachtoffer?’
    Mama en Liesje keken verwachtingsvol naar Krol de poes. Die bleef met haar kopje tegen het been van mama schuren, terwijl ze haar staart langzaam heen en weer bewoog.
    Kwispel, de hond, zette zich afwachtend op zijn poep. Natuurlijk wilde ook hij weten of de poes echt boos was geweest.
    De drie paar ogen bleven nu rustig kijken naar Krol, die zich krampachtig tegen het been bewoog. Lang mocht mama dit niet laten duren, de beestjes zouden niet meer tegen elkaar durven spreken als ze geen oplossing bood.
    Is het niet dat je eigenlijk niet boos was, maar niet wist hoe je Kwispel moest vragen om te spelen?’ vroeg ze aan Krol, de poes.
    Likkebaardend knikte deze. Met gestrekte pootjes ging ze naar het hondje en aaide hem met haar hoofdje.

03 juni 2024

klein meesje

Enkele weken zagen we je ouders af en aan vliegen. Tot we je hoorden piepen wisten we niet waaraan we ons konden verwachten. De laatste dagen was er een hels kabaal. Je ouders bleven veel langer aanwezig en vlogen af en aan in het kotje. Leven in het huisje, zo wisten wij. We zagen je ouders ook van de zaden pikken en met kleine stukjes in het huisje verdwijnen. Een paar dagen was het een af en aan vliegen. Ook merkten we een wijzigende voorkeur, nu pikten ze ook af en toe van de pindapasta.

    Maar jij bleef verborgen. Toch gaf het af en aan vliegen met op de achtergrond een hevig gepiep, ons de zekerheid dat onze verwachting snel zou worden bevredigd.
    Daar was je dan. Verdwaasd bleef je in het ronde toegangsgaatje zitten kijken naar de omgeving. We zagen je proberen je vleugeltjes wat te strekken. Moeilijk natuurlijk om ze helemaal uit te spreiden in het kleine ronde deurtje. Je tijd was wel gekomen om op verkenning te gaan. Met een sprong en proberen de vleugeltjes open te krijgen, duikelde je uit het nest op het terras. Benieuwd begon je te zoeken en af en toe je strekte je de vleugeltjes. Hoger dan 10 cm kwam je nog niet. Je zocht beschutting en kroop achter een bloemenbak. Zelfs je ouders vonden je niet meer.
    Stil, verscholen achter onze ramen, hielden wij dit kleine schouwspel in het oog. Toch was een kort toiletbezoek voldoende voor jou om te verdwijnen.
    Goede vaart en prettig leven, jong meesje.

 

27 november 2023

horloge

Verwonderd keek hij op zijn horloge. Een goed merk, batterij zal zeker een jaar meegaan, er zijn geen opmerkingen gekend behalve goede, wist de verkoopster twee maanden eerder te vertellen.
    Daarom dat hij nu sprakeloos naar zijn juweeltje zit te turen. De wijzers geraken geen seconde vooruit. De verkoopster heeft toch niet per ongeluk een oude batterij gebruikt? Hoe is het anders mogelijk? Had hij dan een miskoop gedaan? Geloven wat verkopers graag beweren was geen eigenschap welke bij hem paste. En toch was hij in de val getrapt, zo leek het toch.
    Of geloofde hij teveel in zichzelf? Op internet had hij de site van de winkels in de buurt gevonden. De meesten verkochten alleen peperdure merken. Hij had zich voorgenomen niet teveel geld uit te geven om te weten hoe laat het is. In plaats van zijn smartphone te moeten opduiken, wilde hij het gemak van een blik op een instrument aan zijn pols. Niet te duur, wel makkelijk. Gelukkig was er een winkel in de buurt met een uitgebreide website waar alle prijscategorieën te vinden waren. Alle? Zover had hij niet gekeken. Hij zocht onder de honderd euro en vond een uitgebreide keuze. De koopbare modellen had hij in een vergelijkingstabel gegoten en was zo tot de slotsom gekomen dat de horloge die hij nu heeft de beste koop was. De, mogelijk voorlopige, prijsdaling van zowat zeventig procent had zijn overtuiging een extra boost gegeven. Al bij al was het niet de goedkoopste, de prijsverlaging zette de horloge wel aan de lage kant.
    Met een verwachtingsvolle blik durfde hij na zeker twee minuten terug naar zijn pols te kijken. Het toestel bleef zag er nog steeds hetzelfde uit, de wijzers hadden niet bewogen. Of had hij zich vergist, er stonden geen streepjes bij elke minuut. Met iets gerichter kijken, vond hij de ook nog steeds stilstaande secondewijzer, dat was al een zekerheid. Woordeloze ideeën flitsten door zijn hersens; schichten van denkbare oorzaken, flitsen van wat hij de laatste minuten had gedaan, niets van dat alles bracht een oplossing.
    Bijna radeloos begon hij zijn uitval te bedenken welke hij naar de verkoopster zou richten. Hij schudde zijn hoofd. Aha, zou dit misschien helpen zijn kleinood terug in beweging te krijgen. Voorzichtig maakte hij de armband los, nam de horloge langs de zijkant vast. Als bij wonder draaide de minutenwijzer even achteruit. Nu begon de horloge helemaal gek te doen, dacht hij. Of was hij het die deze foute beweging veroorzaakte? Opwinden moest hij de horloge niet, batterijen doen dit gelijkmatiger. Toch voelde hij even aan het ronde schroefje, de wijzers bewogen. Verschrikt duwde hij het in. De secondewijzer verliet blij zijn stilstand.

03 mei 2023

de wolkenfluisteraar

De eerste zonnestralen na een regenvolle maart geven mensen moed om winterse plannen uit te voeren. Een oude man, zeker 70 jaar, heeft een hele dag gezwoegd om de moestuin op orde te krijgen. Met lede ogen had hij tijdens de winter gemerkt hoe hij zijn droom van een tuin na zijn pensioen verwaarloosd had. De vrijgekomen tijd heeft hij goed besteed, dat weet hij zeker. Steden en landschappen waarvan hij tijdens het lezen van romans de werkelijkheid niet kende, heeft hij zoveel mogelijk bezocht.
    Het was steeds een hobby om bij het lezen ook aardrijkskundige aantekeningen te maken van de beschreven omgevingen. Hij liep mee met de hoofdinspecteur wanneer hij een politieroman las, bij een historische roman kroop hij in de huid van de held, soms in deze van de onderdrukte. De keren dat hij een oorlogsroman las waren op één hand te tellen, hij had er zelf vervelende herinneringen aan, samen met de verdediger zag hij het land in stukken schieten. Bij elk boek had hij zich afgevraagd of zijn veronderstelling overeenkwam met de plaatsbeschrijving. Daarbij hoopte hij dat de beschrijving wel waarheidsgetrouw was. Het beeld was echter nooit voldoende voor hem.
    Hij wilde de plaatsen ooit allemaal bezoeken. Hiervoor zou hij in zijn hoofd door de tijd reizen met de aantekeningen. Hij was ervan overtuigd dat het hem zou lukken op het moment dat hij de plaats zag, zijn aantekeningen te lezen en zo de nieuwe of vernieuwde huizen, fabrieken, wijzigingen, in zijn geest weg te vegen.
    Wat had de schrijver aangezet om die plaats als plaats van delict te gebruiken of waarom was het politiebureau daar gesitueerd? Was dit in werkelijkheid ook zo? De laatste jaren had hij de computer gebruikt om de omgeving te verkennen, doch zonder echte voldoening. Voor de historie kon hij tegenwoordig wel aardig gebruik maken van de speciaal ontwikkelde programma’s waardoor hij een deel in de tijd kon reizen. Doch, de werkelijkheid leek hem steeds meer en meer noodzakelijk.

Zo was hij enkele jaren zijn tuin vergeten op het moment deze om aandacht vroeg. Hij was begonnen met pagina één van zijn notities te bekijken, opgezocht hoe hij er best kon geraken en jammer genoeg tot de vaststelling gekomen dat er van een reconstructie in zijn hoofd niet veel overbleef bij de werkelijkheid. Zo was hij tot de beslissing gekomen om naar de genoteerde verschijningsdatum van het boek te kijken en te beginnen met hetgeen zich zowat 20 jaar geleden zou afgespeeld hebben. Zoveel kon er dan niet veranderd zijn, leek hem, temeer omdat het eerste verhaal zich in Peru situeerde. Een grote ontdekking in een ver land voor een dorpeling die zijn kerktoren beter kende dan zijn familie in de hoofdstad. Daar was hij nooit graag naartoe gegaan. Het waren misschien de bovenste beste mensen, ze hadden wel een vervelende mentaliteit, vond hij . Ze reageerden op dezelfde manier als ex-collega’s die ook in een grote stad woonden. Wanneer hij een opmerking maakte over een slechte winter omdat het zo weinig gevroren had, kreeg hij te horen dat die keuterboeren niet wisten waarover ze spraken. Nooit ergens anders geweest dan op hun hof en dat als belangrijkste graadmeter zien. Kijk naar hen, zij wisten dat de winters goed waren. Ze konden nog altijd gaan skiën op hun geliefkoosd oord. En het eten bleef daar lekker, dat moest ook van ver komen. En wanneer de zomers niet goed zijn, waarom trekken de boeren er dan eens niet op uit om in de zon te gaan liggen. Zie, hoe goed gebrand wij zijn. Mooi bruin over ons hele lichaam. En jij blijft hier in dat petieterig land, bleekscheet.
    Dergelijke commentaar had hij veel gehoord, op iets vriendelijker manier herhaald door de familie. Dat zij die boeken niet gelezen hadden en zo konden wegdromen met een voorspiegeling, dat wist hij. Maar nu, na zijn pensioen ging hij de veronderstellingen toetsen met de werkelijkheid. Dan zou hij meer zien dan strand en zon, dat vond hij belangrijk.
    Jammer genoeg bleken de nota’s onvoldoende om zich te herinneren hoe het verhaal zich afspeelde. Daarom las hij sommige boeken terug terwijl hij de plaatsen bezocht. Nu vond hij het echter tijd om zich dit jaar rust te gunnen. Met zijn handen in de grond woelen en zo zelf lekkernijen kunnen ontdekken, was nu voor hem een prioriteit.

De jaren eisten wel zijn tol. Een paar uur kon hij bezig zijn, dan was het rustpauze, zoals nu. Dromerig met armen en benen gespreid lag hij op zijn grasmat, die naam nog niet waardig. De zon verwarmde niet alleen zijn lichaam, ook zijn herinneringen werden opgepookt. Met een brede glimlach ving hij ze in gedachten. Hij wilde ze niet voorbij laten schieten, op deze manier kon hij dubbel genieten. Daar zat hij altijd met zijn Maria zaliger te keuvelen over een beleving van de dag. Hij vroeg haar dan wat zij vond van zijn idee om het grasveld helemaal om te spitten, nog maar een klein deel over te houden voor gazon en de rest terug te beplanten. Zoals steeds had ze hem glimlachend, maar vooral ongelovig aangekeken. Zou hij dat wel doen op zijn leeftijd? Kinderen hadden ze niet, dus langs die kant was geen hulp te verwachten. Hij begon haar het voorstel in detail uit te leggen. De spade ging voor haar ogen de grond in en de perken werden snel gelegd. De gazon had niet de tijd om gezaaid te worden, hij lag er onmiddellijk glad bij. Kon ze het nog niet geloven dat het allemaal zou lukken. Zie die wortelen en de prei die als eerste tevoorschijn komen. Haar lach klonk hem vreemd in de oren, was het wel een echte lach? Telkens hij haar probeerde te overtuigen hoorde hij haar lach, zoals zij vroeger ook zuur lachte bij zijn wilde, nooit uitgevoerde, reisplannen.
    Ontmoedigd moest hij daaraan terugdenken terwijl hij haar langzaam enkele vroegere beloftes hoorde lispelen. Als gefluister uit het onbekende, werd hij eraan herinnerd dat hij haar de vakanties die hij nu beleefde, altijd had voorgespiegeld, nadat hij de zoveelste roman gesitueerd in een bepaald land had gelezen. Hij haalde dan de verschillende aantekeningen naar boven en beschreef zijn idee in geuren en kleuren van de te bezoeken plaatsen. Soms letterlijk vanuit zijn notities, meestal namen zijn veronderstellingen de vrije loop. Ze zouden Parijs bezoeken en Maigret volgen in zijn speurtochten.
    Zijn lippen krulden bij de herinnering. Hij zag Maria languit in die ouderwetse tuinstoel hangen met steeds die mond die zijn overtuiging nadeden. Haar stem lijkt hem nu toe te fluisteren. ‘Ja, weet je nog. Hoeveel keer heb je mij het verhaal niet proberen na te vertellen met te zeggen welke straten we dan zeker moesten volgen. Dat heb jij nu wel gedaan, hé! Heb je dan aan mij gedacht?’ Hij schudt zijn hoofd en speurt tussen zijn wimpers om haar te vinden. In die lege tuin heeft hij haar toch gezien? En vooral, hij hoorde haar verwijt.
    Nadat hij het boek had herlezen, was hij in Parijs alleen de genoteerde straten ingelopen en had ondervonden dat de uitgestippelde route makkelijk te volgen was. Geen enkel kruispunt was hij overgeslagen. Met zijn notities had hij de schim van dat hoofdpersonage, zoals hij die van de tv kende, gevolgd. Bij de gebouwen die beschreven waren, had hij een tijd onderzoekend stil gestaan. Waren die zo gelijk gebleven als in het boek? Te zeer verdiept in zijn onderzoek was hij opgeschrikt door hels kabaal dat een chauffeur tegen hem maakte. Half op de weg was hij uit zijn speurdersroes gehaald. Om al die woorden, die naar hem geslingerd werden, te begrijpen, had hij er toch beter aan gedaan de boeken in originele versie te lezen, begreep hij plots. Hij had zijn pet, die hij al jaren droeg, afgenomen, zijn kalende hoofd gekrabd en met een verontschuldigend gebaar het dichtstbijzijnde trottoir opgezocht.

Een eerste druppel valt op zijn neus. Deze slaagt hij onbewust weg, waardoor hij zich kennelijk wakker schudt. Even schudt hij zijn hoofd en steunt direct op zijn rechterelleboog, hijst zich met moeite recht, krabt zijn bijna blote schedel en kijkt naar boven. Een donkere wolk heeft het zonlicht tijdelijk verduisterd. Toch prevelt hij bijna onhoorbaar: ‘Heb ik toen aan Maria gedacht?’
    Verwonderd blijft hij de wolk bekijken terwijl hij een zachte stem hoort: ‘Ach jongen, hoe dikwijls heb ik je dat niet gezegd!’

12 januari 2023

het begin

 

Ik zal het mezelf niet kunnen vergeven als ik het nooit vertel. Wanneer het steeds een verzinsel in mijn hoofd blijft dat nooit in woorden op papier wordt gezet, zal ik mij niet goed voelen. Mogelijk dat niemand er een boodschap aan heeft, maar voor mij zullen het hersenspinsels zijn die anders verrot in de achtertuin van mijn geheugen blijven. Wie heeft het nu graag om nooit daglicht te kunnen aanschouwen, steeds in de duisternis te moeten blijven. Het bedenksel kan ooit begonnen zijn, maar het einde zal nooit een geboorte hebben gekend. En dat is een vreselijke vaststelling wanneer er een lange rijping heeft plaatsgevonden. Ideeën die reeds zo lang in een wachtkamer zitten, zoveel keer overwogen en herschikt, kunnen beter een uitweg krijgen dan in stilte te verdwijnen.

Een wirwar van ingevingen vechten om aandacht. Ze willen de bovenhand krijgen om als eerste met een fonkelend begin te kunnen starten op papier. Wanneer een woord een vrijage van lange duur met een leuk vervolg verkrijgt, volgen andere beelden die vechten om als eerste door de pen verwoord te worden. Alle combinaties worden uitgetest. Het samenspel begint open doelen te benutten. Mogelijke missers worden bij latere herwerking rechtgezet. Zo ontstaan veel zingezinnetjes die een mooie gemeenschap vormen. Hierdoor kan de kop pronkend blinken omdat het weet dat het een leuke staart heeft.

Een begonnen verhaal kan plotselinge wendingen verkrijgen door toevalligheden. Willekeurig gehoorde frasen van mensen in de omgeving veroorzaken een draai aan de vertelling, zodat deze van het dood spoor afwijkt. Hierna kan het tijdelijk een richting volgen tot er weer iets onverwacht gebeurt of gehoord wordt. Het verhaal kan via kronkelingen verdwalen op ongekend terrein. Nooit beleefde gebeurtenissen worden beleefd onder invloed van geopende oren en ogen. De pen kan deze gedachtesprongen moeilijk volgen. Zo kunnen onbekenden medeauteur zijn van de beste romans. De rode draad mag reeds uitgestippeld zijn, de woorden die neergeschreven worden kunnen mee ontstaan door onrechtstreekse invloeden.

Goed om te weten dat ik daar geen auteursrecht hoef voor te betalen.

30 juni 2021

krulhaar

Lang geleden, in de tijd dat mensen en dieren elkaar nog begrepen, leefde een jongetje van acht jaar met zijn ouders op een heuvel. Samen met hen kwamen dieren een pootje helpen bij het groenten telen. Vossen kwamen diepe putten graven waar knollen konden bewaard worden. Kippen, katten, honden en andere dieren hielpen op hun manier om de grond te bewerken en klaar te maken voor nieuwe planten. Ze klauwden, krabden, scharrelden, wroeten tot de grond poreus genoeg was om te planten. De honden dabberden alle jonge plantjes en zaadjes onder. Een olifant woonde iets verder en wist dat hij op zo een moment zeer nuttig was. Uit de beek slurpte hij water en sproeide dit in het rond. Vader en moeder keken toe en waren zeer tevreden.
    Bij Krulhaar, hun zoontje, was altijd een jonge hond in de buurt. Ook wanneer er niet voor de velden moest gezorgd worden, waren ze bij elkaar. Krulhaar speelde dan met zijn vriend Kwispel. De gekste spelletjes kwamen aan bod. Benoemen deden ze niet, toch kennen we er nu nog enkele van: hondje over, mensje over is er zo een van, dolgelukkig werden ze door over elkaars rug te springen.
    Wanneer ze op stap waren, was Krulhaar eerst bang geweest toen hij soortgenoten zag. Dichterbij komen deed hij niet. Ze lagen naast elkaar verscholen achter een obstakel, om te zien of ze iets herkenden in het doen en laten van de groep. Met gegrom of een glimlach begrepen ze de gelijkenis. Het was niet bij die ene groep gebleven, ze waren verder op zoek gegaan. Bij nieuwe groepen, groot of klein, waar overeenkomsten te zien waren, keken ze naar elkaar en voelden een opwinding.
    Kwispel was voor hem onmisbaar. Met zijn snuit tegen de grond vond hij de weg makkelijk terug. Ook wanneer ze langer weg waren en de maag om vertering vroeg, kon Kwispel snel een hapje vinden. Dikwijls deelden ze dat. Zo zaten ze vergenoegd te kauwen terwijl hun ogen elkaar niet loslieten. De verrukkelijkheid straalde tussen hen.

Op één van de tochten bleef Krulhaar verbaasd staan. Zag hij daar geen ander klein menswezen dat naar iets aan het turen was. Een mensgroep was niet direct te zien, was zij alleen op de wereld? Krulhaar keek gefascineerd naar het menswezen. Het gezicht was grotendeels verborgen door het lange haar. Het leek een lichte sikkel die gedragen werd door een donkere gestalte. Een lange tijd stond zij stokstijf te staren. Hij kon zich niet voorstellen waar ze naar keek. Gebiologeerd bleven zijn ogen aan dat figuur kleven tot Kwispel een klagend geluid liet horen. Heel de terugweg bleef hem het beeld bij. Ook dat voelde Kwispel, hij gromde terwijl hij oogcontact zocht.
    In het kamp vlijde Kwispel zich aan de voeten van Krulhaar en bleef vruchteloos contact zoeken.

Een week later was Krulhaar duidelijk blij dat hij werd weggestuurd. Met een huppelpas was hij vertrokken zonder op Kwispel te letten. Natuurlijk voelde die de afwezigheid van zijn vriend onmiddellijk. Op een drafje was hij hem bijgebeend. Zonder op hem te letten echter spoedde Krulhaar zich naar de plek van vorige keer. Perplex bleef hij staan. Dat klein menswezen was veel dichterbij en zag hem aankomen. Een glimlach tekende haar lippen terwijl haar bolle wangen lichtrood kleurden.
    Krulhaar kon niet bewegen, zijn voeten voelden als lood. Kwispel holde hem bijna voorbij, keek naar zijn vriend met een klagend gehuil. Krulhaar bleef genieten van het vriendelijke vreemde gezicht. Zijn hart klopte, klopte zo hevig dat hij bang werd dat het een laatste tik wilde geven. Bedremmeld draaide hij zich om en volgde Kwispel, die met de staart tussen de achterpoten en de kop in het zand voorop liep.

Nog een week later was Krulhaar voorzichtiger. Met een langzame pas stapte hij de bekende route. Kwispel moest nu ook niet rennen om hem bij te benen. Onderweg voelde hij het verlangen van Krulhaar naar een weerzien. Toen hij naar boven keek zag hij zweetdruppels op zijn voorhoofd. Dat had hij nog nooit gemerkt, vreemd. Zou dat aan dat verlanggevoel liggen dat Krulhaar moest zweten? Ook hoorde hij een vreemd getik. Was dat er ook niet de vorige keer, misschien wel iets rustiger nu?
Waar hij vorige week vastgenageld stond, bleef Krulhaar staan. Zijn ogen bleven gefixeerd op een punt, het punt waar hij nu niemand zag. Teleurgesteld zette hij zich naast zijn vriend. Kwispel genoot van zijn nabijheid en liet dat duidelijk voelen. Krulhaar was met zijn gedachten bij de verlaten plek. Hij voelde zijn hart samentrekken en zuchtte.
Toen hij zich teleurgesteld omdraaide, ontwaarde hij in de verte een sikkel. Deze keer staarde zij de andere kant uit. Wat vreemd, dacht hij, zo leerde ik die kleine mens kennen. En toch is het anders. Vol in gedachten en toch met een hart dat wilder tekeer ging, schuifelde hij naar zijn ouders. Kwispel bemerkte het vreemde maar voelde zich toch blijer dan de vorige keer.

De volgende week wandelde Krulhaar, zonder het te beseffen, in zijn voetsporen. Kwispel deed zijn naam via zijn staart alle eer aan. Opgetogen volgde hij. Hoe verder ze kwamen, hoe sneller Krulhaar stapte. Kwispel trok een vragende snuit waar Krulhaar geen aandacht voor had. Ineens begon hij te lopen, waarom wist hij niet. Kwispel was verwonderd en bleef staan.
    Het geluid in de omgeving viel weg, het was windstil. Het werd zo fris dat Kwispel zich plat op zijn buik aan de grond wilde warmen. Zag hij daar nu niet dat kleine menswezen? Het leek wel zo, maar niets van het gezicht was te bespeuren. Met de snel opgekomen donkerte was het moeilijk om zeker te zijn. Maar toch, maar toch. Achter het hoofd van dat klein menswezen zag hij stralen. Daar verscheen zeer langzaam het opgewekte gezicht van zijn menswezenvriend. Hoe meer hij de opgewonden blik van zijn vriend kon zien, hoe warmer het werd. Kwispel sloeg zijn staart heen en weer, met zijn kermend gehuil ontwaakte de omgeving.

06 november 2020

klein venijnig ding

Flinterdun, microscopisch klein, geen gewicht, zo is het begonnen. Nooit wilde het zich ergens nestelen, steeds wilde het de verre einders verkennen. Op zoek was het niet, neen. Iets ontdekken door rond te dolen, dat was de bedoeling. Het maakte niet uit wat ontdekt zou worden. Bewegen, de omgeving bezoeken zo ver als mogelijk. Dat was de enige bedoeling. Of het wel de intentie had, of het ding een opvatting of opzet had, dat deed helemaal niet ter zake.Eerst was het nog ze klein dat het niet wist of het nu door vocht of met een luchtstroom werd meegedreven. Overal kon het naar toe, en vol nieuwsgierigheid liet het zich meedrijven. Soms werd een smak tegen een wand gemaakt, maar door de gewichtloosheid kon dat niet deren. Alle uiteinden werden bezocht. Immense afstanden werden afgelegd door de kleinheid. Bij het ademen werden wel voedingsstoffen opgenomen waardoor stilaan verdikking ontstond. Maar toch bleef het zo klein en zeer fijn. Petieterig in omvang zodat er geen hindernissen kwamen. Of er een einde was, deed er niet toe. Hoe zou het dit kunnen weten op deze ontdekkingsreis. Alles zag er zo eender uit. Dat het wel verschillende richtingen werd uitgeduwd was zeker. Of het ergens belandde, daar interesseerde het zich niet in. Het werd toch mee weggezogen naar ergens anders. Snel werd vooruit gekomen, indrukken opgedaan. Langzaamaan kwam er gewicht en omvang bij. Kleine doorgangen werden te smal. Dit werd nog niet direct opgemerkt omdat er steeds een andere weg open lag. Toch begon de indruk te ontstaan dat er geen snelheid meer kon gemaakt worden. Van groeien had het geen besef, alles bleef immens. En toch werd meer en meer hinder ervaren bij het ontdekken van de omgeving.
    Leek het nu niet dat die rode en witte bollen kleiner werden? Er tussen glippen werd steeds moeilijker. Een eigen weg zoeken werd de nieuwe opdracht. Nieuwe normen die moesten worden gerespecteerd. Regelmatig waren kolonies witte bollen verzameld. Als in commando hinderden ze het minuscule ding meer en meer. Ook zij werden wel door de enorme machine voortgeduwd. Aan de stroming was geen ontkomen aan. Hoe groter en zwaarder hoe meer hinder er kwam om snelheid te maken. Hoe dichter bij de machine, hoe beter de ritmische stuwing gevoeld werd. Dit gaf een tintelende sensatie.
    Graag bleef het daar in de buurt, maar dit lukte niet door de kracht waarop het werd voortgeduwd. Bonkend bleef de aandrift in één richting duwen, tot de stuwing minderde en een zijweg een uitweg bood. Vreemd genoeg kwam dit pad dan terug aan een grotere laan waarmee het terug naar het kloppende apparaat werd geleid. De rode bolletjes hadden zich hier blijkbaar tegoed gedaan aan voedsel, zij kwamen feller tevoorschijn. Ook bij de witte bollen verdween daar de vaalheid.            Gelaten werd het meegenomen op de tocht. Plots werd het frisser. Er kwam precies van overal wind. De bolletjes zochten bescherming bij elkaar en bibberend werd de kleur weer frisser. Niet alleen een wind was voelbaar, het trekken en duwen langs alle kanten maakte dat elkeen over elkaar buitelde en dat een schijnbare rangorde een wanorde werd. Gelukkig duurde dit maar even. Dit was echter een mooie plek om vast te klampen. Het ding was groter geworden en kon zich in een smalle opening vastzetten. Rode bollen bleven opgetogen en rolden over elkaar naar een volgend spektakel.
    Witte bollen die hier nog mooi wit waren, bleven rondom dartelen. Wanneer het niet te houden was, kwam een volgende batterij hen vervangen. Het ding werd meer en meer omsingeld door witte bollen die zich begonnen in te vreten. Het ding had voldoende voedsel opgenomen en kon zich een hele tijd verweren. De witte bollen kwamen steeds in grotere aantallen, zogen zich in het ding vast tot ze vaalwit werden. Verdwenen zodat een volgende witte brigade vaalwit kon worden. Dit voelde echt als een aanval waar niet aan te ontkomen was. Hoe meer het ding zich vastklampte, hoe minder voedsel het kreeg en hoe sneller het werd leeggezogen. Het voelde zich verzwakken en bleef leeg aan de wand kleven. De laatste witte bol deed zich nog uitbundig tegoed en verkleurde extra met de laatste restanten.

De colonne vaalwitte bollen verdween om zich te gaan opfrissen.

02 oktober 2020

gelukzaligheid

 Met een brede glimlach kijkt hij naar de hemel waar hij tussen de donkergrijze wolken eindelijk de zon weer kan begroeten. Een vale schijn begint terrein te veroveren en breekt met hernieuwde moed spatje per spatje het wolkendek open. Het vraagt duidelijk een grote inspanning om de donkerte rondom een lichtere teint te geven, maar vol goede hoop blijft hij dit boeiende schouwspel volgen. De opstoten van onweders die afgewisseld werden met korte opklaringen, bleven steeds te lang duren om neerslachtigheid om te buigen. Het was geen hartverwarmende tijd waarin mistige wolken mogelijke opklaringen verdrongen.

Nu verschijnt de klaarheid meer en meer aan de hemel en de eerste prille straal van warmte bereikt hem. Hij voelt dat zijn verkleumde huid de kilheid maar graag zou kwijtspelen. De grauwheid van bemorste lucht begint te zuiveren en uit zijn denken verdwijnen ook de neerslachtige gedachten die hij tot nu voelde. Zijn hoofd heeft als eerste de koude verslagen en de opkomende warmte neemt stukje bij beetje bezit van zijn hele lichaam. Steeds opgeluchter voelt hij hoe zijn longen de nog frisse lucht verwelkomen. In alle vrijheid zwaait hij zijn armen in het rond. Zijn tenen en vingers beginnen te tintelen en de gevoelloosheid verdwijnt. Elk spiertje dat opwarmt brengt hem meer en meer in verrukking, zijn gezicht begint te stralen van gelukzaligheid.

Het zonlicht heeft de bovenhand genomen. De wolken smelten als sneeuw.

29 februari 2020

erotiek

Op een zwoele avond zitten Eva en Peter op een terras in de stad. Na enkele biertjes zoeken ze afwisseling. Het is duidelijk dat de temperatuur hen op velerlei manieren dorstig maakt. Hand in hand, bijna dartel springend, lopen ze naar de toog. Met haar hoofd tegen het zijne en haar arm rond zijn schouder, zoekt Eva mee iets pittiger op de kaart. Een onbekende naast hen zegt glimlachend: ‘Toch geweldig dat warm weer. Je zou je zo op vakantie wanen in een zuidelijk land. En jullie zouden nog meer plezier beleven.’ Zijn lach wordt nog breder, zijn lippen tuiten zich tot een klein fluitsignaal.
    Peter neemt Eva bij de lenden, streelt zachtjes hoger. Terwijl hij zijn handen langs de onderkant van haar BH naar achter laat glijden, drukt hij haar stevig tegen zich aan en fluistert in haar oor: ‘Die kerel zegt daar wat. Geweldig moment om naar ons plekje te verhuizen.’
    Met de pint aan zijn lippen kijkt de man van Peter naar Eva, terwijl zijn pretoogjes nadere uitleg vragen. Eva merkt dit en met bitse mond naast Peter ’s oor bijt ze net hard genoeg toe: ‘Zwijg onnozelaar. Zie die daar nu eens kijken. Laat mij ook maar wat meer los, ik wil bestellen.’
    Met de drank in de hand verdwijnen ze naar de verlaten plaatsen buiten. Het glas tegen zijn lippen trekt hij een frons in zijn voorhoofd. Vervelende gedachten zweven door zijn hoofd: ‘Ik was weer te vrijpostig, daar moet ik toch echt op letten! Heb ik onze avond helemaal verknald? Wat ga ik nog te horen krijgen?’ Eva nipt van haar voorliefde. Duidelijk dat deze porto van 10 jaar haar bevalt. ‘Aiai, hoe spiedt ze tussen haar wimpers naar mij, dat belooft niet veel goeds.’ Met een bittere trek om haar mond neemt ze nog een slokje.
    ‘Tot nu hebben we “ons plekje” goed kunnen verzwijgen. Ook met vrienden erbij lukte dat heel goed. En nu…’
    ‘Sorry Eva, ik zal toch eens moeten leren te zwijgen als ’t nodig is.’
    ‘Ja, inderdaad. Zou je hem graag als gluurder hebben of zo?’ Langzaam verdwijnt de duisternis uit de blik van Eva. ‘Ach ja, hij kent ons niet. Bij vrienden moeten we opletten, die zouden wel eens verder durven vragen. Bij hen kon je tot nu goed op je woorden letten.’ Een glimlachje verschijnt op haar lippen. ‘Zelfs van jou heb ik mooie omschrijvingen gehoord waar niemand juist begreep waarover we het hadden.’
    ‘Ja, zoals Wim vorige week. Die dacht dat we op vakantie waren geweest. Hoe jij hem dan aanporde om zijn fantasie bot te vieren. Je was geweldig.’
    ‘Terwijl wij in stilte herinnerden. Ik hield jou in het oog. Je glimlach verraadde je warme droom. Je was schattig om te zien. Maar vooral: je zweeg.’
    ‘Gelukkig ja. Vanavond kon ik het niet laten.’
    ‘Daar herken ik je in. Soms ben je zo ondoordacht. Je zal het nooit leren. Maar ja, de warmte vanavond nodigt wel uit. Drink dat bier op, we zijn weg.’ Met haar tong tussen haar lippen knipoogt ze.
    Tijdens deze warme zomer verdwenen ze al regelmatig in hun spelonk tussen de struiken. Met de bescherming van de overhangende takken genieten ze van de buitenlucht. Soms bespioneren ze wandelaars. Wanneer deze zich alleen wanen op dit romantisch pad, kunnen zij hun wilde dromen delen. Bij momenten gaat het er hevig aan toe, en worden zij opgewonden door de begluurde taferelen.
    Ze beseffen wel dat ze zich gedeisd moeten houden in deze open omgeving. Dat maakt het natuurlijk nog wat spannender. Ze willen hun plekje zeker niet verraden, bij een volgend bezoek zouden ze dan op “belet” kunnen stuiten.
    Bij het schemerduister vanavond is er niemand in de omgeving te zien. De avond nodigt meer uit om te verkoelen met een frisse drank. In het centrum waren de terrassen overal overvol vanavond. Het dokje ligt even buiten het centrum. Daar is het nu zeer rustig. Snel is Peter tussen de takken verdwenen. Eva is steeds voorzichtiger. Voor alle zekerheid overschouwt ze de omgeving vooraleer ze bij Peter op hun schoongemaakt vertrouwd bedje kruipt. Dan laat zij haar duivels los en trekt zijn shirt bruusk uit. Zijn handen jeuken ook. Haar hemdje is echter van fijn stof. Hij moet voorzichtiger zijn.
    Plots horen ze een krakende tak. Peter stopt bij het derde knoopje en opent het kijkgat in de haag iets meer om in de directe omgeving de oorzaak te vinden. Een jong koppel heeft, niet zo ver van hun plekje, een stukje zachtheid gevonden. Ook Eva ziet ze en draait zich naar Peter, fezelt: ‘pffff, we waren net op tijd. Ik heb ze niet gezien, jij wel?’ Het tafereel boeit Peter. Die jongeren laten er geen gras over groeien. Ook zij hebben de handen onder elkaars kleren laten glijden. Ze kantelen recht terwijl ze de bovenkledij als triomf in de hoogte houden. Langzaam verdwijnen de kleren achter hun rug, zodat ze de handen weer vrij hebben om de nu naakte huid van de ander te strelen. Ook de monden zoeken elkaar terug op.
    Peter zoekt de blinkende ogen van Eva. Zij begint zijn hoofdhaar te aaien. Glijdt met de toppen van haar wijs- en middenvinger achter zijn oor. Peter glijdt zijn handen over haar lichaam, kust haar neus zachtjes en met zijn tanden beroert hij even haar neuspuntje. Zacht glijden zijn lippen steeds dieper tot ze op stof stuiten. Knoopje per knoopje opent hij het bloesje van Eva verder. Telkens een stukje nieuw bloot zichtbaar komt, streelt hij zijn lippen over dit plekje. Meer naar beneden probeert hij met zijn mond een grotere knoop los te maken. Gewillig helpt Eva en ze gooit het rokje tegen een struik die een knappend geluid maakt. Snel brengt ze haar wijsvinger voor de mond. Uit voorzichtigheid loert Peter door het kijkgaatje. De buren zijn te intens bezig om iets te merken.
    Peter en Eva volgen hun voorbeeld en vleien zich op een paar kledingstukken. Zijn blik bewondert haar rondingen. Haar hand streelt mijn hardheid. Ze glijden in een wilde roes van gelukzaligheid.

22 januari 2020

de trein

‘Papa, waarom staat de trein stil?’

‘We mogen nog niet vertrekken, jongen. Het is nog geen tijd.’

‘Waarom is het nog geen tijd, papa. Tijd is er toch altijd?’

‘Voor deze trein is het nog niet de juiste tijd om te vertrekken. Daarom staan we nog stil.’

‘Papa, wanneer vertrekken we dan?’

‘Wanneer de conducteur aangeeft dat we kunnen vertrekken.’

‘Hoor, papa, een fluitje. Waarom fluiten ze in een station, papa?’

‘Dat was de conducteur, jongen. Zo weten we dat het tijd is om te vertrekken. Nu hoor je de deuren toegaan.’

‘Rijdt de trein altijd zo traag, papa?’

‘Wanneer die direct snel zou rijden, zou jij vallen, jongen. Ga maar zitten, seffens val je nog.’

‘Maar papa, de trein rijdt toch niet snel.’

‘Wacht maar, jongen.’

‘Ja papa, nu rijdt die wel snel. Zie, dat is plezant, hé. Nu is dat precies of alles traag is, hé papa.’

‘Ja jongen. Dat zal je later wel leren op school waarom dat zo lijkt. Natuurlijk stappen de mensen even snel als altijd. En die pilaren die staan nu wel stil ook, natuurlijk. En die trein rijdt trager dan de onze, maar dan staat die precies stil. Mooi om te zien, maar alles blijft wel normaal, zenne.’

‘Maar, maar. Nu rijdt die trein weer trager.’

‘Papa, waarom hebben die mevrouwen het nu zo warm?’

DING, DONG

‘Beste trainrazigers, we kommen oan in Broeksel. Dezen train stopt eerst in den Brussel Nor, …’

Leuke taal, een echte Broesseleir.

13 januari 2020

herinnering

     ‘né, né’. Het hoofdje wordt geschud en de armpjes bewegen afwerend. Toch aandringen helpt niet. De ‘né, né’ wordt luider en bijna schreiend geroepen. Toch beweegt het hoofdje bijna zoals de Grieken met hetzelfde woord instemmend antwoorden. Duidelijk dat ze die roots niet heeft. Nogmaals proberen een lepeltje yoghurt te geven maakt haar driester. Alles wat in de omgeving op de tafel ligt mag er plotsklaps niet meer liggen. Met bruuske bewegingen schuift ze alles binnen haar bereik weg. Het dendert op de grond, dat maakt haar nog wat onstuimiger. Zoveel als mogelijk buigt ze zich in haar stoeltje over de tafel om alsnog een bord weg te gooien. Met een keepersreactie draait haar vader zich om en kan nog net op tijd de val voorkomen. Jammer genoeg kan hij het potje yoghurt niet in het oog houden. In zijn reddende beweging heeft hij dit snel neer kunnen zetten, wel binnen het bereik van de kinderhandjes. Het bord heeft de woestenij overleefd. De smurrie van het neergekwakte potje is echter helemaal in het rond op de vloer en tegen de kast terechtgekomen. Langzaam druipt de licht gekleurde yoghurt van de kastwand. Vader zucht en neemt de kleine uit haar babystoel op zijn schoot.
    ‘ssst …’ Terwijl hij langzaam over haar rugje wrijft en haar dichter tegen zich drukt, begint hij zachtjes te praten. ‘ssst …, Ayla, ik merk wel dat je geen zin hebt.’
    “Nam” of is het “ham”. De oogjes duiden duidelijk dat ze het lust. Haar handje heeft het plastic lepeltje stevig omklemt en zo neemt ze een portietje om in haar mond te steken. Uiteraard schept ze het nog niet mooi op en blijft een deel aan haar kinnetje hangen. Maar flink kauwend grabbelt ze al een tweede keer in het bordje.
    Aan het hoofd van de tafel voelt ze dat iedereen naar haar kijkt. Haar tevreden klanken hebben de lach op de lippen van de familiale toeschouwers getoverd. Wanneer ze deze glunderende gezichten ziet, kan ze niet achterblijven. Ze lacht haar jonge bijtertjes bloot. Met jolige oogjes gooit ze er nog een snerend brullend lachje bij. Hiermee krijgt ze nog meer bijval.
    Ze kijkt rechts naar haar mama die met een brede glimlacht haar eerste roep herhaalt “nam”. Ze lacht nog wat harder en gunt haar papa ook een blik op haar pretoogjes. De vader is gecharmeerd en buigt zijn hooft naar haar hoofdje met een zacht brommend geluid. Het jolijt kan niet meer stuk. Ze klopt met de steel van het lepeltje in haar bord en lacht nog uitbundiger. Van de tafel komt extra instemmend gelach.
    Mama heeft nu meer werk om ze terug een schepje in het mondje te schuiven. De aandacht behaagt haar meer dan het genoegen een lekker hapje te proeven. Toch blijft mama aandringen met het lepeltje voor haar lipjes. De verwachte lekkernij laat haar toehappen. Opa aapt haar nog even na en beweegt zijn sluitende mond naar voor terwijl hij “ham” zegt. Weer hilariteit aan de tafel wanneer het kleintje dit gebaar met een schaterlach beantwoordt. Dat het lekkers niet helemaal binnen blijft, beseffen alleen de ouderen. Ons lieve kleintje blijft iedereen gelukkig maken met haar guitige snoetje. Het hongertje blijft haar aanzetten af en toe het mondje te opeen. Zeer duidelijk is te zien dat ze daarbij te haastig is. Een brij blijft achteraan haar keel steken. Mama reageert door een extra kleine portie te geven. Ze hapt deze kleinigheid begerig naar binnen. Even haastig probeert ze dit in de keel te krijgen. Met een hoestbui belandt alles op de tafel.
    Het lachen is snel overgegaan op huilen en hoesten. Mama neemt haar snel uit de stoel. Met opengetrokken ogen leunt ze het gezichtje op de schouder van haar reddende engel. Zachte rugklopjes brengen haar terug bij positieven. Zoals de regenboog ook het einde van nattigheid aankondigt, begint het opgewekte kind door de tranen door al terug te lachen.

12 januari 2020

Janneke en Mieke

Janneke en Mieke gaan voor het eerst samen op vakantie. Oh, wat heerlijk om met zo’n ordinaire naam en begrip te beginnen. Zoals: Janneke zag eens pruimen hangen, maar deze van Mieke nu toch liever snoept.    
    Samen uit, samen thuis, dat zijn ze nu enkele maanden gewoon. Een onafscheidelijk koppel, een mooi koppel, onverwoestbare liefde, ze vullen elkaar mooi aan, die relatie zal lang meegaan. Deze complimenten hoorden ze meermaals. Prettig natuurlijk om in de omgeving zoveel supporters te hebben. Daardoor zijn ze er zelf ook stellig in gaan geloven. Soms liep het al wel eens fout en kan het een tijdje duren vooraleer het onweer overgedreven is. Niemand weet ervan, uiteraard. Hoe zou zo een passend koppel nu ooit in onmin kunnen leven? Op dergelijke momenten houden ze de schijn hoog, soms bijna met tranen in de ogen. Is dat veel gebeurd? Natuurlijk niet, het gaat echt goed tussen hen.
    Deze conflicten brengen hen ook dichter bij elkaar, dat ervaren ze zeer sterk. Ze gaan er wel geen ruzie voor zoeken, wanneer het ervan komt, kan het ook wat duren voor de mist is opgetrokken en de communicatie terug begrijpbaar is. Bij elk jong stel met toekomst hoort dit hij het groeiproces en kan dit regelmatig voorkomen. Ook voor deze vakantie was het van dat. Terwijl de vrienden hen geamuseerd staan uit te wuiven, weet Janneke niet welke richting hij zal nemen. Op internet vond Mieke een goede begeleiding om de reis voor te bereiden. Zij volgde het “niet-vergeten” en “to-do”-lijstje zeer trouw op. Uiteraard worden overbodige kampeerspullen voorgesteld. Hier hadden ze dan een kwispeltje voor gemaakt: wie kent de meeste andere merken die een dergelijk product hebben, of: wat is het nut van dit product. De fantasie had hen geholpen om andere, toch nuttige aankopen te doen.
    De tent en toebehoren, kledij voor warme en hopelijk weinig koude of regenachtige dagen, proviand om niet direct een winkel te moeten zoeken, alles zit mooi opgestapeld in hun bijna nieuwe auto. Met dat “bijna” is de discussie begonnen. Janneke wil het rustig aan doen. Het is vakantie en dan mag het tempo lager zijn voor hem. Zo wil hij ook de auto de tijd geven om zich als rijdend lijdend voorwerp te gaan gedragen. Daar moeten geen driloefeningen van overdreven snelheid, piepende inhaalmanoeuvres en andere zotternijen aan te pas komen. Mieke heeft van de garagist dan weer gehoord dat de auto van in het begin moet opgedreven worden tot hoger toerental, om niet te mak te worden. Daar wil Janneke wel voor zorgen, maar dan toch op een rustige manier. En Janneke rijdt niet graag via “die ellendig eentonig lange autostrades, zonder afwisseling” naar het zuiden. Hij verkiest het rustig te doen via de secundaire wegen en de route verte. Zoveel aangenamere omgeving, alleen zorgen de grote en veelvuldige ronde punten in Frankrijk, samen met de budgetrijders, dan wel voor filerijden. Daarbij zijn deze wegen niet zo afgevlakt, waardoor regelmatig een klimmetje moet getrotseerd worden. Dat moet dit wagentje toch aankunnen. Daarbij is de rustige rijstijl die Janneke zich aanmeet ook nog een voordeel om van de omgeving te genieten. Zoveel expertise en ervaring heeft hij wel, zo moest hij dit aan Mieke verzekeren.
    Zij is echter op haar hoede. Heeft de garagist niet gewaarschuwd om files en bergen te vermijden? Zij is er vast van overtuigd en geeft dan ook de voorkeur aan de autostrades. Dat is wel wat duurder, maar je bent wel sneller ter bestemming. Dat is toch ook prettig!   
    Janneke vindt de bestemming ook wel leuk. Hij ziet het wel niet zo zitten om die ellendig lange, gladde, zonder afwisseling, op zachte ondergrond glijdende autostrades, te gebruiken. Wat een omgeving. Geen enkel dorp te zien en je bent zo in het zuiden. Je krijgt de tijd niet om met de afwisseling van de omgeving afwisseling van gedachten te krijgen. Van de werktijd overschakelen om de vakantietijd, die mag toch wat trager gaan.
    Mieke hield echter voet bij stuk. Ze wil zo snel mogelijk met Janneke de tent induiken om van de vrije tijd een extra warme, zoete, tedere en onvergetelijke gebeurtenis van te maken.
    Dit opwindende vooruitzicht heeft Janneke echter niet kunnen overtuigen. Wanneer het moment een dag later zou vallen of niet, hij weet dat deze tijd onvergetelijk zal zijn. Hun eerste jaar samen was een gedroomde belevenis, de eerste gezamenlijke vakantie zal de kers op de taart zijn. Zijn kantoortijd werkte hij volautomatisch, de job was ondergeschikt geweest. Ook voor Mieke waren de werkuren, uren van een vooruitzicht. Jammer genoeg vloog de tijd samen steeds te snel voorbij. Waar ze op haar kantoorstoel aan dacht, had ook minder met de job dan met de avond of het weekeinde te maken. Het was in feite zeer leuk die momenten enkele keren terug te beleven. Op die manier kon ze ook vriendelijk blijven tegen de mensen aan de andere kant van het loket. Soms moest ze zich wel concentreren wanneer de vraag niet over geld, maar over een krediet ging. Gelukkig kan ze de klant dan meestal snel doorverwijzen naar een collega die hierover zijn specialiteit heeft gemaakt. Ook beleggingen kan ze voorlopig nog afwerken, hoewel ze zich hierover pas aan het bekwamen is. Meer en meer ziet ze minder en minder klanten om geld af te halen. Alleen de oudjes blijven zowat over. Toch moet ze die ook aanzetten om niet meer binnen te komen voor die futiliteit, ze heeft er al verschillende op we geholpen met de nieuwe toestellen. Hiervoor wordt ze zelf stilaan overbodig. De jongeren kennen die automaten en gebruiken die spelenderwijs, soms letterlijk. Ook zij heeft nu speciaal voor deze reis haar kredietkaart laten aanpassen zodat ze sneller zullen geholpen worden, voordeel van in de branche te werken en de nieuwigheden als proef mee te krijgen. 
    Zo zit ze nu naast Janneke in zichzelf te mokken en zich af te vragen of ze de kaart bij de eerste péage zal kunnen gebruiken, of Janneke zal blijven doorrijden op deze sluipwegen. Ze moet wel toegeven dat ze al enkele grappige ronde punten zijn gepasseerd. Over enkele dagen volgt de tourkaravaan hen bijna volledig en dat is sterk te merken. Ook hier zijn het pas geasfalteerde wegen, snelheidsremmers op de weg zijn tijdelijk verwijderd, en ook zij voelt zich aangemoedigd door de wimpels, foto’s en geschilderde kreten op het wegdek. Soms rijdt Janneke zelfs te snel om alles te kunnen lezen. Ze kijkt haar ogen uit, hij concentreert zich om veilig te blijven.
    Met grote vochtige ogen kijkt Mieke Janneke aan. Achterovergeleund in de comfortabele zetel van deze luxueuze auto schitteren haar ogen terwijl ze haar blik een lange tijd niet van de lippen van Janneke kan weghouden, terwijl ze zelf met haar tong haar eigen lippen langs alle kanten bevochtigd. Onbewust? Haar armen rusten langs haar lichaam, de handen samengevouwen op het rechterbovenbeen. Inderdaad, ze leunt een beetje schuin met haar hoofd nog iets meer gebogen. Een vlieg zal het moeilijk hebben om haar uit de dromerige toestand te halen.
    Janneke blijft geconcentreerd vooruitblikken Met flitsen bekijkt hij het naastgelegen landschap, soms huizen. Bij elk rond punt glimlacht hij tijdens het vertragen. Zijn ogen dwalen over weer een nieuwe inplanting, telkens met andere thema’s. Daartussen merkt hij ook de leuke, soms uiterst grappige verwijzingen naar de tour. Een boer uit stro, met houten klompen, volledig uitgedost in een wielertenue, zit op een oude damesfiets. Aan de pinnen van een riek, die omgekeerd aan het stuur vastgebonden is, hangt een rood-wit-blauwe vlag met de in zwarte verf aangebrachte woorden: “Allé, Julien”. Een stok bovenaan en één onderaan, houdt de vlag stokstijf, zodat deze enkele woorden duidelijk te lezen blijven.    De ogen van Janneke die in het voorbijrijden aan dit bedenksel blijven hangen, trekken ook de ogen van Mieke naar deze aanmoediging. Mieke begint te schateren. Zo uitbundig dat Janneke zijn blik naar haar wendt en mee in een onbedwingbare lachbui schiet. Bijna ongecontroleerd draait hij aan het stuur en scheert rakelings naast de hoekborduur. Even verder krijgt hij met tranen in de ogen de auto opzij van de weg tot stilstand. Beide blijven nog even gieren tot Janneke zijn hoofd schudt, naar Mieke kijkt, nog even hikt en nu met een glimlach om de lippen Mieke haar lach tot bedaren ziet brengen. Ook zij blijft hem aanstaren met haar blinkende ogen en een glimlach op de lippen.    Langzaam beweegt ze zich naar voren en drukt haar lippen halfgeopend op deze van Janneke. ‘Je hebt gelijk, deze wegen zijn veel leuker dan die ellendig eentonig lange autostrades, zonder afwisseling.’

19 december 2019

verloren gelopen

 De lift stopt op de bovenste verdieping, waar ik woon. Een meisje van een jaar of vier is over en weer aan het lopen. Ken ik dat kind van ergens? Het kan geen kleinkind van mijn buren zijn, die ken ik. In een flatgebouw van veertien verdiepingen leven veel families. Teveel om iedereen te kennen.

    Het meisje zit er duidelijk mee verveeld dat ik haar zo aankijk. Hoe is ze hier gekomen?

    Terwijl ik de deur van mijn loft open, kijkt ze schuw en loopt in de richting van mijn buren. Zal ze dan toch?

Alsof ik iets vergeten ben, sluit ik de deur en stap terug naar de lift. Op het laatste moment glipt ze tussen de sluitende deuren naast mij. Toen ik aankwam was er ook reeds feestgedruis via de liftkoker te horen. Nu klinkt dit nog iets feller. Moet het meisje daarheen? Ik druk een willekeurige verdieping.    

    Terwijl de lift naar beneden gaat, wordt het lawaai luider en luider. Wanneer de deur opent, dreunen de bassen en zie ik een gang vol stoelen rond een lange gedekte tafel. Een bruidssluier hangt vooraan tussen aangebroken flessen cava. Kan dat zomaar op een gang in een appartementsblok?

    Het meisje hangt ondertussen aan het been van een duidelijk aangeschoten man.

17 december 2019

mooi cadeau

Wow, wat een leuk cadeau kreeg ik voor mijn verjaardag. Een manuscriptenboek met een ouderwetse vulpen. Naast de boekjes die ik reeds heb, is dit een volledige set om langere verhalen te schrijven.
Doordat ik lang rechtstreeks op de computer heb gewerkt, is het handschrift eigenlijk al een tijd verdwenen. Niet dat ik ooit een mooi gelijnde eigenheid had, het kost me toch moeite om ten eerste een rechte lijn aan te houden in een schrift zonder lijntjes, en ten tweede om steeds leesbaar te blijven schrijven. Het ligt zeker niet aan de pen dat ik van lettervorm afwijk. Dat heeft steeds mijn zwak punt geweest. Eerst de typemachine en daarna de computer hielpen mij geweldig om duidelijk te communiceren. Leesbaar voor brieven dus. De tijd dat ik manueel nog sollicitatiebrieven moest schrijven, ligt me niet vers meer in het geheugen. De enige gedachte daarbij die ik mij kan herinneren, was zeker dat ik mijn best moest doen om een leesbare brief op te sturen. Naargelang de behoefte aan de job, maakte ik mijn brief leesbaarder.

Ik schreef in het begin dat dit een volledige set is, maar een vloeipapier zit er niet bij. Tot mijn spijt moet ik dus op papier vaststellen dat de vulpen in het boekje de nodige vlekken achterlaat. Daarom gebruiken de meeste mensen bij het manueel schrijven een balpen, denk ik. Toch heeft een mooie vulpen meer stijl. Jammer dat vloeipapier dan niet meer te krijgen is, of toch? Soms is het nodig om snel dikke inkt te deppen.

Ik weet niet in welk leerjaar ik mijn eerste vulpen kreeg. Toch ben ik zeker dat ik mijn eerste krabbels met een kroontjespen, of hoe kan je dat noemen, heb geschreven. Ganzenveren werden niet meer gebruikt, maar iedereen kan zich dit beter voorstellen. Met een scherp mes de harde kant van de slagpen aanscherpen, en zo kon je, zoals in de middeleeuwen, sierlijk schrijven. Een kroontjespen zal je nu niet meer vinden, vermoed ik. De inkt moest bijgetankt worden uit het potje dat in de lessenaar hing. De leraar kwam deze bijvullen wanneer de inkt op was. Met dit oud schrijfgerei was het nog moeilijker het blad onbevlekt te laten. Een iets te harde druk op het stalen pennetje liet de vastgehouden inkt naar beneden tuimelen, met een onoverkomelijke inktvlek tot gevolg.

De vulpen zit wel ingenieuzer in elkaar, de kwaliteit valt wel met de kostprijs samen.

Dat ik nooit een mooi handschrift heb gehad, en nog steeds niet heb, ligt ook aan het eerste ongelukje dat ik mij herinner. Net toen we in het eerste studiejaar begonnen met ‘schoonschrift’ moest mijn rechterarm in de plaaster. Bij het spelen in de tuin was ik onverhoeds tegen de vlakte gegaan. Automatisch probeerde ik mij natuurlijk tegen te houden met mijn sterkste arm, waardoor deze net boven de elleboog brak. Zes weken plaaster was het gevolg. Linkshandig schrijven werd niet aangeraden, dus leerde ik op de achterkant van het schoolbord de letters in een bepaalde vorm te gieten. Zelfs in het groot, met die verdomde plaaster, lukte het mij niet. Later bij het oefenen op het kleine blad, lukte het mij ook niet. Uiteraard duurde het een tijd dat de kinesist mijn arm soepel genoeg kreeg, waardoor ik in het begin zeer stram bleef schrijven. Zo bleven de problemen van onregelmatigheid.

Nu ook ondervind ik nog steeds het probleem dat ik de ene keer vrij leesbaar schrijf en de volgende keer moet ik een ontcijferaar ter hulp roepen om zelf te weten wat ik vroeger zou bedoeld hebben. Een grafoloog zal uit mijn verschillende handschriften wel het een en ander afleiden. Of mijn karakter zo wispelturig is, durf ik te betwijfelen.

Voor mij betekent mijn handschrift alleen of ik de tijd nam om duidelijk te zijn, of dat ik er vlug, vlug vanaf wilde zijn. Bij momenten heb ik het idee dat ik sneller op het klavier ben dan met de pen. Eén ding is zeker nog sneller, mijn gedachten. Flitsen schieten ongeordend door mijn hoofd, waardoor ik niet de tijd kan nemen om alles op een rijtje te zetten. Op computer is het wel eenvoudiger om met knip- en plakwerk een tekst te construeren die te lezen valt. En … op computer komen zo’n geweldige eenvormige tekens op het scherm. Achteraf kan zelfs de spelling gecontroleerd worden. Om een handgeschreven tekst geordend te krijgen, moet je alles volledig terug overschrijven. Mogelijk ook dat dit verschillende keren moet gebeuren. Om dit te voorkomen kan je zinnen met een letter of cijfer aanduiden. Deze vallen sneller te wijzigen. Met ook wel prettig zijn om het verhaal na redactie te lezen als 1-2-a-7-9-13-b-k-65 … . echt niet te doen, dat kan je je wel voorstellen. Daarom zoek ik het heil op dat verrot modern ding. Zo blijf ik met een handschrift dat niet voldoende geoefend wordt, waardoor weinig eenvormigheid zal ontstaan.

Alleen op vakantie zorg ik er wel voor dat ik steeds een boekje bij heb. Vakantie is tijd om te ontspannen en geeft de geest vleugels. De ideeën vliegen door de lucht en worden met het minder belaste brein opgevangen. Het moment om de creativiteit de vrije loop te laten is dan aangebroken. Natuurlijk dient deze wel ingetoomd om ze op papier gevangen te houden; en het schrijven gaat minder snel dan het denken, mar zet daardoor wel aan tot meer georganiseerde en geordende ideeën. Regelmatig kan ik dan ook na de vakantie ontdekken dat er toch weer een vruchtbare periode voorbij is. Als het dan mogelijk is om de krabbels als woorden te herkennen, worden deze, wanneer het idee goed bevonden is, op computer getypt. Het blijft noodzakelijk om daar een nieuwe redactie op uit te oefenen. Zoals ik over verschillende schrijvers las, scheren zij de boeken wel enkele keren, vooraleer die uitgegeven werden. Dit moet een onmenselijke taak geweest zijn. Leve de vooruitgang, alles tik, tik, weggeschreven.

12 december 2019

de stille jongen

Er was eens, niet eens zo lang geleden, een zeer zwijgzame jongen. Vanaf het moment dat hij met andere kinderen in contact kwam, trok hij zich terug. Ook in de eerste kleuterklas viel dit op. Zijn blik stond steeds op afwezig. In de klas zocht hij een plaats ver weg van de kleuterleidster en bleef daar zitten. Wat de juf ook deed om hem bij het spel te betrekken, de jongen bleef stil en in zichzelf gekeerd.
    Terwijl de andere kinderen met veel enthousiasme speelden, zat hij toe te kijken. Wanneer ze dacht dat hij iets niet goed begreep, ging ze bij hem zitten om het nog een keer rustig voor te doen. Wanneer het dan nog niet lukte, maakte ze een tekening. Zo begreep ze spoedig dat hij de taak niet voldoende herkende. Met oude prenten probeerde ze hem dan de basiswoorden bij te brengen. Op dat moment werkte hij mee, maar de volgende dag moest zij de woordjes herhalen. Ook wanneer zij een woordje zei, waarbij hij een tekening moest kiezen, ging het dikwijls fout. Wanneer ze aan het woord ‘zwijn’ kwam, werd hij zeer boos en sloeg haar. Ze had hem zo vriendelijk mogelijk afgeweerd en proberen duidelijk te maken dat dit niet kon. Met een pruillip was hij in het hoekje gekropen. Alle pogingen die de juf deed om terug aandacht te krijgen, mislukten.

Ook in de lagere school ging hij in zijn hoekje zitten. De leraar zette hem direct tussen de andere leerlingen. Zo wilde hij hem kennis laten maken met vriendjes in de omgeving. Het werden geen vrienden. Op de speelplaats bleef hij stil in een hoekje waar hij observeerde zonder mee te spelen. Wanneer de leerkracht vroeg waarom hij niet met de vrienden van de klas aan het voetballen was, haalde hij zijn schouders op. Veel woorden maakte hij daar niet aan vuil. De leerkracht dwong de jongen wel om op zijn minst recht te staan, liever zag hij hem meespelen. Echt aandringen had hij snel afgeleerd.

Toen in het derde jaar kwamen meer leerlingen die de jongen begrepen. Dit werd een groepje dat zich afzonderde en de vrije tijd op een eigen manier invulde. Hieraan wilden de anderen leerlingen dan weer niet meedoen. Ook hier ving een leerkracht bot. Het was ook duidelijk dat het groepje dit niet zou aanvaarden.
    De jongen bleek van dan af toch niet zo stil te zijn. Plotsklaps stond hij allerlei teksten voor te lezen. Alleen het eigen groepje was geïnteresseerd. Hij was dus niet in de woestijn aan het praten. De latere jaren kwamen nog meer vrienden van hem naar zijn school en elke speeltijd stond de zwijgzame jongen voor te lezen. Meer en meer viel zijn gebedssnoer op. Wanneer de leerkracht langsging om de groep aan te moedigen zich bij de andere te voegen, zweeg hij abrupt en maakte een afwerend gebaar. De leerkrachten zagen dit zeker niet graag maar wisten geen antwoord te formuleren. Ze lieten in stilte het groepje in hun waan.
    Terwijl hij in de klas niet betrokken bleef, leek hij op de speelplaats een voortrekker. Toenadering tussen zijn groep en de rest van de leerlingen kwam er niet. De jongen trok zijn groep weg van de hoek van de speelplaats. Ze begonnen met andere kinderen te discuteren. Was het wel discuteren? Gelukkig werd er niet gevochten, hoewel de groep zich dikwijls zeer uitdagend gedroeg. Wanneer iemand een reactie gaf op hun uitspraken, werd met hevige stem gereageerd. Hun gelijk nam de overhand. Ze toonden zich agressief wanneer dit dreigde te falen. Het groepje werd meer en meer gevreesd.

De ouders werden gecontacteerd. Zij zagen geen verandering bij hun kinderen. Alleen stelden ze vast dat hun kinderen zich meer in hun eigen cultuur begonnen te interesseren. Daarover waren de meesten zeer verheugd. Dat ze ouder werden en een baardje lieten groeien, vonden ze een teken van volwassenheid tonen. Sommigen waren zeer fier dat ze door hun dichte haargroei ook een dichte volle baard kregen. Hiermee konden ze zich vergelijken met de voorbeelden uit hun cultuur. Elke jongere wil zich toch zo snel mogelijk volwassen voelen.

Plots echter, verdween de een na de andere jongen van de school. Ook de ouders wisten niet waar hun kinderen waren. Nu kwamen de ouders zelf naar de school klagen dat er onvoldoende bewaking over hun gedrag was geweest. Het bleef moeilijk om hen te overtuigen dat de leerkrachten steeds hun best hadden gedaan om voeling met hen te krijgen. Daarop kregen ze dan van de ouders wel het verwijt dat de leerkrachten niets van hun cultuur begrepen.

Iedereen bleef in het ongewisse tot berichtjes uit een ver land binnenkwamen. De jongen was leider geworden en toonde op foto’s graag zijn heldendaden. Hij wilde niet meer aangesproken worden met zijn eigen naam, hij was zeer fier op zijn krijgsnaam.
ok zijn vrienden waren van identiteit veranderd. Ook zij hadden een andere naam gekozen waarmee ze wilden aangesproken worden. Met overtuiging stuurden zij berichten via de sociaal gewaande media, zwaaiend met een zwaar wapen. Soms stonden ze in de woestijn, soms zaten ze achterop een aftandse bromfiets. Andere keren reed een pick-up in die woestijn waarop bebaarde jongeren glorieus keken. De overwinningsberichten met beestachtige en violente beelden bleven komen tot ….


04 september 2019

brombeer

Wat een brombeer. Telkens iemand uit de groep een voorstel doet, horen wij hem op een grommende manier zijn tegenkanting kenbaar maken. Niet dat we duidelijke woorden horen, zijn spraakorgaan blijft gesloten. In het iets lager gelegen keelgedeelte lijkt steeds een opkomende storm in aantocht. Wanneer het laag begint, is ook de toon laag. Hoe hoger de klank vertrekt, hoe hoger de toon. De hoge tonen zijn uitzonderlijk, en worden met pruttelende lippen, speekselbellen spetterend, beëindigd. De lage tonen overheersen en blijven lang nagalmen. Door de tegenstem moet telkens een nieuw idee gezocht worden. Toch blijft de stemming lang uitbundig. Nieuwe voorstellen borrelen regelmatig op. De meest spontane worden met gejuich onthaald. Behalve door de brombeer. We horen alleen zijn speciale manier van afkeuren. Naarmate de tijd vordert, komt zijn mening steeds duidelijker tot uiting. Het gebrom wordt luider en luider. De slag om frisse ideeën lijkt gestreden, alleen de voorsteller kan er nog mee akkoord gaan. De groep kijkt elkaar beteuterd aan.
    ‘Zeg Peter, heb jij geen idee? Alleen maar grollen helpt ons niet vooruit.’ Met een snok komt Peter ’s hoofd omhoog. Met waterige ogen kijkt hij rond. Bij elk gezicht houdt zijn blik halt. Dan knikt hij even en draait hij naar een volgende kennismaking. Ook daar volgt hetzelfde ritueel, fletse ogen blijven een tijd staren, de knik met het hoofd, de speurtocht wordt verdergezet.
    De mondhoeken blijven naar beneden gericht en als een vis in troebel water komt daar nog geen beweging in. Uit zijn buik vertrekt een nieuwe luchtstoot langs de borrelende keel. Het geluid verplaatst zich langzaam naar boven. In de mond eindigt deze met een bijna knorrend geluid. Plots haalt hij snel een zakdoek tevoorschijn. Met een vertrokken gezicht houdt hij deze een tijd voor zijn mond.
    Met een diepe zucht veegt hij laatste restanten weg en propt zijn gevulde zakdoek weg. Wanneer het leed geleden lijkt, vouwt hij deze weer open, inspecteert de groene slijminhoud met een gezicht alsof hij terug gaat kokhalzen, klapt deze vieze brij nu samen en steekt die veilig in zijn broekzak. Zijn handen wrijft hij over zijn broek, bekijkt ze even, draait de handpalmen naar boven en herhaalt dit ritueel. Na enkele droge oprispingen laat hij zijn handen rusten tussen zijn benen.
    Hij richt zijn troebele blik naar boven: ‘Sorry, wat vroeg je?’

12 februari 2019

Carla en Dirk

     Zou je schrikken wanneer ik zeg het niet leuk te vinden je terug te zien?’
    Euh, wat? Wat bedoel je? Is dit een bedreiging of zo? Meen je het echt?’
    Ach schat, het bewijst dat je me nog steeds graag ziet. Je schrok duidelijk.’
    Je zou voor minder. Waarom stelde je die vraag eigenlijk?’
    Zomaar. … Ik …’ 
    Hoe zomaar? Ik was bijna kwaad geworden. Hoe durf je zulke botte vragen te stellen? Het was heel kwetsend, weet je!’
    Oh sorry. Je zegt dat je bijna kwaad geworden bent. Zou je het woordje ‘bijna’ niet even laten vallen? Echt, het was niet bedoeld om je boos te krijgen, zeker niet. Wat heb ik daaraan. Ruzie maken of niet meer spreken, geen van beide reacties zou leuk zijn. En ik wilde deze fijne avond zeker niet vergallen.’
    En toch is het je gelukt. Ik hoor hier liever prettiger dingen dan zo’n vreemde vraag.’
    Schatje, schatje. Mag ik vragen om dit te vergeten. Ik ben er volledig van overtuigd dat je mij nog steeds graag ziet. Het was zeer dom van mij om het op deze manier uit te testen. Het was voor niets nodig. Ik wist het gewoon.’
    Ondertussen is het niet alleen Carla die naar Dirk kijkt. De twee oudere dames die een rijstdessert aan de tafel naast hen aan het eten zijn, kijken afwisselend naar Dirk, Carla en de vriendin aan de overzijde. Bij de laatste verschijnt een lachje om de lippen wanneer de ogen elkaar ontmoeten. Carla en Dirk merken dit ook en kijken elkaar nu ook even in de ogen. Bij beide krullen de mondhoeken zachtjes naar boven. Plots begint Carla luidop te gieren, onmiddellijk bijgestaan door Dirk. Nu kunnen ze elkaar niet meer aankijken of ze proesten het nog erger uit. Gelukkig heeft de ober net de borden van het hoofdgerecht afgeruimd of ze hadden mogelijk brokken gemaakt. En ook gelukkig dat ze het beide vandaag bij water hielden, die glazen staan stabieler op de tafel. Carla zit te dicht en haar buikbeweging brengt het tafelblad aan het trillen. Wijnglazen zouden gesneuveld zijn bij deze schuddende beweging.
    De twee dames kijken nogmaals naar elkaar. De oudste, zo lijkt het toch, trekt haar schouders even op. De ander verroert, bijna bewegingloos, haar hoofd. Duidelijk dat ze reeds lang met elkaar optrekken, ze hebben niet veel nodig om elkaar te begrijpen. Bij het zoveelste lachsalvo verschijnt toch een glimlach bij de jongste. Ze buigt zich voorover om iets te fezelen tegen de ander. Toch blijkt ze onvoorzichtig. Een glas cava twijfelt op het voetje, een kleine slok verspreidt zich op het tafeltje.
    Dirk merkt dit en verslikt zich bij het lachen. Een hoestbui neemt meesterschap zodat hij de concentratie helemaal kwijt is. Ook zijn sterkere glas kan zich niet rechthouden wanneer hij met een bruuske beweging zijn rechterarm naar de mond brengt en het even aanraakt. Het klettert op de grond.
    Carla smoort het hoesten op een fluweelzachte manier door met ietwat geopende lippen deze van Dirk te beroeren.

Scherven brengen geluk


09 februari 2019

schijnvertoning

Een grote man met Elvisbakkebaarden komt op een imposante manier de trappen af van het vlindergebouw te Antwerpen. Trede per trede met zijn hoofd rustig meedraaiend, overschouwt hij de omgeving. Vooraleer hij aan de afdaling begon inspecteerde hij de omgeving op kijklustigen. Nog niet alle ogen waren op dat moment op hem gericht. Door zijn trage bewegingen en zijn priemende ogen blijven de blikken op hem gericht. Degene die nog niet keek, wordt door de algemene kijklijn meegezogen. Halverwege blijft de reus staan, met opgetrokken bovenlip inhaleert hij diep door zijn neus. Rustig dwaalt zijn blik nu over de menigte. Wanneer de ingezogen lucht traag door zijn nauwelijks geopende mond is ontsnapt, blijft hij nog even rondkijken vooraleer zijn rechterbeen terug aan de dalende richting begint. Altijd zeer rustig nadert hij de vijfde laatste trede, waar hij blijft stilstaan, zijn twee duimen achter de met nepedelstenen versierde broeksriem haakt, zijn lange glinsterende, wit met blauwe streep, mantel opzij schuift en nogmaals diep inademt. Vanop die vijfde trede torent deze grote struise man boven de mensenzee. Niet alleen van de aangekomen trams, ook uit de nabijgelegen hogeschool zijn ondertussen zoveel mensen op het plein toegekomen, dat ze dicht bij elkaar moeten staan.
    Een lichte glimlach trekt over zijn lippen terwijl hij wacht tot nog een tram de lading heeft gelost.
    Jullie zullen allemaal wel weten waarom jullie zo massaal naar hier kwamen. Uiteraard, anders waren jullie hier niet zo talrijk geweest. Daarvoor ben ik zeer blij.’
    De blikken van sommige mensen wenden zich even weg om elkaar aan te kijken met een knikkend hoofd.‘En toch’, vervolgt hij,’zal ik de meesten moeten teleurstellen. Ik beloofde wel dat vandaag de rechtspraak eindelijk recht zou spreken, maar activistische rechters durven hiervan af te wijken.’
    Een ‘oh’ en ‘ah’ en andere verontwaardigde klanken stijgen uit de massa.
    Activistische rechters zijn het ergste kwaad dat onze eerlijke rechtstaat kan schaden, dat weten jullie allemaal. Daarom ben ik nu naar buiten gekomen om jullie deelachtig te maken vooraleer ik naar het parlement vertrek. Ik neem het niet dat rechters onze partij ten schande maken door negatieve uitspraken te doen die ons volk zullen schaden. Daarom zal ik de eerste minister verplichten hiertegen op te treden.’
    Een daverend applaus valt hem ten deel. Met een scheefgetrokken mond lacht hij naar iedereen terwijl hij zijn rechterhand licht over de hoofden laat zwaaien. Uit het niets zijn vier afgetrainde bodybuilders verschenen die rond hem meelopen naar een klaarstaande geblindeerde BMW. Terwijl deze wegscheurt van het plein, waarbij enkele omstaanders weg moeten springen om niet geraakt te worden, ontstaat een luid handgeklap met enkele fluiters en ‘bravo’- roepers daartussen.

27 november 2018

boodschappen

Het duurt even voor ze gevonden heeft waarvoor ze naar de supermarkt gekomen is. Aan de kassa spreken jongeren in een vreemd taaltje tegen haar. Ze verstaat ze niet, nerveus wordt ze er wel van. Willen die iets van haar, of  ‘heb ik iets fout gedaan?’ Met twee volgestouwde tassen verlaat deze dame op leeftijd de supermarkt. Regelmatig moet ze deze neerzetten om even uit te blazen, zodat ze de mensen in de omgeving kan bekijken.
    De jongeren van aan de kassa komen nu naar buiten en hebben haar schijnbaar gezien, want ze komen haar richting uit. Verschrikt neemt ze haar last terug op en zo snel ze kan stapt ze verder. Vanaf nu kijkt ze bezorgd om zich heen. Bepaalde mensen blijft ze langer aanstaren. Wanneer dezen terugkijken, versnelt ze haar stap. Meer en meer begint ze de voorbijgangers te begluren. Verborgen onder haar hoedje observeert ze iedereen. Aan het eerste kruispunt zet ze met een zucht de te zware zakken neer.
    Aan de overkant zijn een paar donkerder jongens veel lawaai aan het maken. Ze moet deze passeren, met die zware tassen kan ze geen omweg maken. Toch blijft ze langer wachten, twijfelend of ze wel langs die jongens zal lopen. Voor alle zekerheid kijkt ze achterom of daar ook al geen donkerder personen zijn die haar aan het achtervolgen zijn.
    Toch niet, ze pakt haar tassen en zo snel ze kan steekt ze over. Uit voorzorg neemt ze de zijkant van het voetpad, zo ver ze kan van die amokmakers verwijderd. Gelukkig zeggen of doen ze niets. Toch versnelt ze haar pas nogmaals. Ze durft niet meer om te kijken en loopt zo snel mogelijk naar de volgende hoek, waar ze iets verder woont. Als daar maar weer geen onbetrouwbare mannen rondhangen.
    Hijgend kijkt ze toch achterom en ziet rechts van haar een struise donkere man afkomen. Die lacht zijn tanden helemaal bloot, wat is die van plan? Ze wendt haar gezicht geschrokken af en steekt de straat onverhoeds over. Die man achtervolgt haar , sneller kan ze echter niet meer. Ze struikelt bijna over de opstap en moet even blijven staan om haar evenwicht te herstellen. 
    ” Mevrouw Willemse!” – hoort ze achter zich zeggen – “mevrouw Willemse.”
    Geschrokken en met een bang kloppend hart kijkt ze om. Daar staat die man, hoe kent hij haar naam?
    Mevrouw Willemse, wil ik even uw zakken tot thuis dragen. Ze zijn duidelijk te zwaar voor u.”
    Wat bedoelt hij daar nu mee? Hoe weet hij waar ik woon? En kan ik dat zomaar vertrouwen? Je hoort en leest er meer dan voldoende over de laatste tijd.
    Ze neemt haar tassen snel op en probeert terug te vertrekken. Die man heeft echter reeds een tas gegrepen , waardoor die uit haar hand schiet.
    Kom geef de andere tas ook maar, zo kan jij je sleutel al nemen voor je appartement.”
    Verbouwereerd kijkt de dame nogmaals naar die man. Ze voelt zich hulpeloos met de afgenomen zakken. Toch volgt ze hem zo snel mogelijk, ze wil haar boodschappen terug. De man heeft de deur van het appartementsgebouw geopend en komt nu terug naar haar toe. 
    Hij reikt haar een arm en zegt: Kom, steun even op mij tot thuis. Ik maak je direct een lekkere tas thee, zoals ik de laatste keer gemaakt heb.”