krulhaar
Lang geleden, in de tijd dat mensen en dieren elkaar nog begrepen,
leefde een jongetje van acht jaar met zijn ouders op een heuvel.
Samen met hen kwamen dieren een pootje helpen bij het groenten telen.
Vossen kwamen diepe putten graven waar knollen konden bewaard worden.
Kippen, katten, honden en andere dieren hielpen op hun manier om de
grond te bewerken en klaar te maken voor nieuwe planten. Ze klauwden,
krabden, scharrelden, wroeten tot de grond poreus genoeg was om te
planten. De honden dabberden alle jonge plantjes en zaadjes onder.
Een
olifant woonde iets verder en wist dat hij op zo een moment zeer
nuttig was. Uit de beek slurpte hij water en sproeide dit in het
rond. Vader en moeder keken toe en waren zeer tevreden.
Bij Krulhaar, hun zoontje, was altijd een jonge hond in de buurt.
Ook wanneer er niet voor de velden moest gezorgd worden, waren ze bij
elkaar. Krulhaar speelde dan met zijn vriend
Kwispel. De gekste spelletjes kwamen aan bod. Benoemen deden ze niet,
toch kennen we er nu nog enkele van: hondje over, mensje over is er
zo een van, dolgelukkig werden ze door over elkaars rug te springen.
Wanneer ze op stap waren, was Krulhaar eerst bang geweest toen hij
soortgenoten zag. Dichterbij komen deed hij niet. Ze lagen naast
elkaar verscholen achter een obstakel, om te zien of ze iets
herkenden in het doen en laten van de groep. Met gegrom of een
glimlach begrepen
ze de gelijkenis. Het was niet bij die ene groep gebleven, ze waren
verder op zoek gegaan. Bij nieuwe groepen, groot of klein, waar
overeenkomsten te zien waren, keken ze naar elkaar en voelden een
opwinding.
Kwispel was voor hem onmisbaar. Met zijn snuit tegen de grond vond
hij de weg makkelijk terug. Ook wanneer ze langer weg waren en de
maag om vertering vroeg, kon Kwispel snel een hapje vinden. Dikwijls
deelden ze dat. Zo zaten ze vergenoegd te kauwen terwijl hun ogen
elkaar niet loslieten. De verrukkelijkheid straalde tussen hen.
Op één van de tochten bleef Krulhaar verbaasd staan. Zag hij daar
geen ander klein menswezen dat naar iets aan het turen was. Een
mensgroep was niet direct te zien, was zij alleen op de wereld?
Krulhaar keek gefascineerd naar
het menswezen. Het gezicht was grotendeels verborgen door het lange
haar. Het leek een lichte sikkel die gedragen werd door een donkere
gestalte. Een lange tijd stond zij stokstijf te staren. Hij kon zich
niet voorstellen waar ze naar keek. Gebiologeerd bleven zijn ogen aan
dat figuur kleven tot Kwispel een klagend geluid liet horen. Heel de
terugweg bleef hem het beeld bij. Ook dat voelde Kwispel, hij gromde
terwijl hij oogcontact zocht.
In
het kamp vlijde Kwispel zich aan de voeten van Krulhaar en bleef
vruchteloos contact zoeken.
Een
week later was Krulhaar duidelijk blij dat hij werd weggestuurd. Met
een huppelpas was hij vertrokken zonder op Kwispel te letten.
Natuurlijk voelde die de afwezigheid van zijn vriend onmiddellijk. Op
een drafje was hij hem bijgebeend. Zonder op hem te letten echter
spoedde Krulhaar zich naar de plek van vorige keer. Perplex bleef hij
staan. Dat klein menswezen was veel dichterbij en zag hem aankomen.
Een glimlach tekende haar lippen terwijl haar bolle wangen lichtrood
kleurden.
Krulhaar
kon niet bewegen, zijn voeten voelden als lood. Kwispel holde hem
bijna voorbij, keek naar zijn vriend met een klagend gehuil. Krulhaar
bleef genieten van het vriendelijke vreemde gezicht. Zijn hart
klopte, klopte zo hevig dat hij bang werd dat het een laatste tik
wilde geven. Bedremmeld draaide hij zich om en volgde Kwispel, die
met de staart tussen de achterpoten en de kop in het zand voorop
liep.
Nog
een week later was Krulhaar voorzichtiger. Met een langzame pas
stapte hij de bekende route. Kwispel moest nu ook niet rennen om hem
bij te benen. Onderweg voelde hij het verlangen van Krulhaar naar een
weerzien. Toen hij naar boven keek zag hij zweetdruppels op zijn
voorhoofd. Dat had hij nog nooit gemerkt, vreemd. Zou dat aan dat
verlanggevoel liggen dat Krulhaar moest zweten? Ook hoorde hij een
vreemd getik. Was dat er ook niet de vorige keer, misschien wel iets
rustiger nu?
Waar
hij vorige week vastgenageld stond, bleef Krulhaar staan. Zijn ogen
bleven gefixeerd op een punt, het punt waar hij nu niemand zag.
Teleurgesteld zette hij zich naast zijn vriend. Kwispel genoot van
zijn nabijheid en liet dat duidelijk voelen. Krulhaar was met zijn
gedachten bij de verlaten plek. Hij voelde zijn hart samentrekken en
zuchtte.
Toen
hij zich teleurgesteld omdraaide, ontwaarde hij in de verte een
sikkel. Deze keer staarde zij de andere kant uit. Wat vreemd, dacht
hij, zo leerde ik die kleine mens kennen. En toch is het anders. Vol
in gedachten en toch met een hart dat wilder tekeer ging, schuifelde
hij naar zijn ouders. Kwispel bemerkte het vreemde maar voelde zich
toch blijer dan de vorige keer.
De
volgende week wandelde Krulhaar, zonder het te beseffen, in zijn
voetsporen. Kwispel deed zijn naam via zijn staart alle eer aan.
Opgetogen volgde hij. Hoe verder ze kwamen, hoe sneller Krulhaar
stapte. Kwispel trok een vragende snuit waar Krulhaar geen aandacht
voor had. Ineens begon hij te lopen, waarom wist hij niet. Kwispel
was verwonderd en bleef staan.
Het
geluid in de omgeving viel weg, het was windstil. Het werd zo fris
dat Kwispel zich plat op zijn buik aan de grond wilde warmen. Zag hij
daar nu niet dat kleine menswezen? Het leek wel zo, maar niets van
het gezicht was te bespeuren. Met de snel opgekomen donkerte was het
moeilijk om zeker te zijn. Maar toch, maar toch. Achter het hoofd van
dat klein menswezen zag hij stralen. Daar verscheen zeer langzaam het
opgewekte gezicht van zijn menswezenvriend. Hoe meer hij de
opgewonden blik van zijn vriend kon zien, hoe warmer het werd.
Kwispel sloeg zijn staart heen en weer, met zijn kermend gehuil
ontwaakte de omgeving.