06 november 2020
12 oktober 2020
ver verleden
die mooie open velden
met in de verte stukken bos
verdeeld in weiland
en akkers vol monocultuur
laten al jaren restanten staan
te stevig om te verdwijnen
gewapend beton waarvan
ook het gebeurde niet vergaat
een kleine opening
half verscholen in de grond
hoeveel mannen zochten hier beschutting
weg van het artillerievuur
of … is hier niets gebeurd
bleef de bunker onbewoond
geschiedenis zal het vertellen
maar die wordt niet meer aangeleerd
02 oktober 2020
gelukzaligheid
Nu verschijnt de klaarheid meer en meer aan de hemel en de eerste prille straal van warmte bereikt hem. Hij voelt dat zijn verkleumde huid de kilheid maar graag zou kwijtspelen. De grauwheid van bemorste lucht begint te zuiveren en uit zijn denken verdwijnen ook de neerslachtige gedachten die hij tot nu voelde. Zijn hoofd heeft als eerste de koude verslagen en de opkomende warmte neemt stukje bij beetje bezit van zijn hele lichaam. Steeds opgeluchter voelt hij hoe zijn longen de nog frisse lucht verwelkomen. In alle vrijheid zwaait hij zijn armen in het rond. Zijn tenen en vingers beginnen te tintelen en de gevoelloosheid verdwijnt. Elk spiertje dat opwarmt brengt hem meer en meer in verrukking, zijn gezicht begint te stralen van gelukzaligheid.
Het zonlicht heeft de bovenhand genomen. De wolken smelten als sneeuw.
25 mei 2020
haar lichaam
haar lichaam lijkt volle rijke aarde
de hele pracht tot ontdekken bereid
met de mooiste rondingen van waarde
mijn zinnen worden prikkelend geleid
verleidelijk ligt ze op bed gevlijd
sterke hoogtes, zachte laagtes ontwaard
smekend van verlangen wijd en zijd
vochtig en warm als een open haard
kom nader, voel, betast, bemachtig
alle remmen los, kort en krachtig
mannelijkheid gaat over lijken
begeerte, wellust niet in te dijken
roekeloos zonder enig respect
het vrouwtje verdwijnt, is geen lustobject
02 april 2020
covid 19
Vreemd!
Om contacten te kunnen behouden,
mogen we nu geen
contact hebben.
Tijdelijk!
Hoe lang?
Een
telefoontje, WhatsApp,
met vriend, kind, kleinkind,
blijft
gelijk, ’t is op afstand
Wandelen en
fietsen,
bewegen doet goed.
Dan mag een fijne
ontmoeting.
Het moet op afstand.
Houden we dit
lang genoeg vol?
Of gaan we door het lint?
Zodat ons leven
mogelijk
aan een zijden draadje hangt.
23 maart 2020
sonnet 2
Wat je wil, wat je weigert, wat
je bent
Toont jouw onhebbelijkheden
Hiermee lok ik je uit
de tent
Dat heb je zeer goed begrepen
Je bent zo grof en
onbeschoft
Niets of niemand staat je in de weg
Tot er ooit
eens iemand ontploft
Dan ben je gekwetst, kruip jij niet meer
recht
Zo zal ik jou dan mogen
herinneren
In alle oprechtheid met de nodige schijn
Loop
jij te pronken en je te etaleren
nu erken je wel je meerderen
ze
tonen meer inhoud in hun brein
ach ja, jij zal het toch nooit
leren
29 februari 2020
erotiek
08 februari 2020
22 januari 2020
de trein
‘We mogen nog niet vertrekken, jongen. Het is nog geen tijd.’
‘Waarom is het nog geen tijd, papa. Tijd is er toch altijd?’
‘Voor deze trein is het nog niet de juiste tijd om te vertrekken. Daarom staan we nog stil.’
‘Papa, wanneer vertrekken we dan?’
‘Wanneer de conducteur aangeeft dat we kunnen vertrekken.’
…
‘Hoor, papa, een fluitje. Waarom fluiten ze in een station, papa?’
‘Dat was de conducteur, jongen. Zo weten we dat het tijd is om te vertrekken. Nu hoor je de deuren toegaan.’
…
‘Rijdt de trein altijd zo traag, papa?’
‘Wanneer die direct snel zou rijden, zou jij vallen, jongen. Ga maar zitten, seffens val je nog.’
‘Maar papa, de trein rijdt toch niet snel.’
‘Wacht maar, jongen.’
…
‘Ja papa, nu rijdt die wel snel. Zie, dat is plezant, hé. Nu is dat precies of alles traag is, hé papa.’
‘Ja jongen. Dat zal je later wel leren op school waarom dat zo lijkt. Natuurlijk stappen de mensen even snel als altijd. En die pilaren die staan nu wel stil ook, natuurlijk. En die trein rijdt trager dan de onze, maar dan staat die precies stil. Mooi om te zien, maar alles blijft wel normaal, zenne.’
…
‘Maar, maar. Nu rijdt die trein weer trager.’
‘Papa, waarom hebben die mevrouwen het nu zo warm?’
DING, DONG
‘Beste trainrazigers, we kommen oan in Broeksel. Dezen train stopt eerst in den Brussel Nor, …’
18 januari 2020
luister
luister, luister, zoals men zegt
naar woorden die jij hoort
die niet begrepen worden
zoals jij ze verstond
luister, luister, niet zoals men zegt
naar de woorden die jij verstond
die je anders hebt gehoord
die jij zo begrijpt
luister, luister, zoals men hoort
naar de woorden die jij sprak
die je anders hebt begrepen
die jij verkeerd verstond
17 januari 2020
Thomas, de wandelaar
‘Maar hier sta je dan. Heel lang is dat avontuur geleden? Toch al een tijd, denk ik. Je ziet er goed uit en je kan het zelfs met een lachje vertellen.’
‘Ach Peter, zolang is dat niet geleden hoor. Ik heb net mijn weg naar ons stamcafé terug gevonden. Dat is voor mij voldoende. Hé Pierre, geeft de Peter en mij nog eens een pint!’
Hoelang Thomas onderweg is geweest, kan hij ook niet vertellen. Zo gebonden aan zijn horloge, dat hij ze nu vergeten is, en geen tijdsbesef heeft. Een verloren gelopen kip zonder kop die nu op zijn vertrouwde barkruk naast zijn wandelvriend zit. Alleen wandelen doet hij zeer graag. Op bekend terrein, zoals nu, kan hij zelfs zijn spoor bijster geraken. Lopen om te lopen, noemt hij dat. En hij vindt dat dom. Veel gaat hij niet op onbekende paden, hij kent zijn beperkingen. Toch zal hij het op zijn eentje proberen wanneer Peter in geuren en kleuren over een tocht van lang geleden begint te vertellen. Alles wat hij toen gezien heeft komt Peter voor de ogen en hij beschrijft dat zo uitnodigend dat Thomas toch zin krijgt om die prachtzichten ook te ontdekken. Een soort jaloezie bekruipt hem dan, zegt hij. Waarom kan hij ’s avonds al niet meer vertellen waar hij geweest is, en wat hij gezien heeft? Beelden durven nog wel te verschijnen, ze passen echter niet op de landkaart die hij zich voorstelt. Niet getreurd echter. In de wandelclub wordt meer gepraat en gedronken. Wat hij allemaal gezegd heeft en hoeveel hij dronk, doet er niet toe. Door de hoeveelheid zal hij zich ook niet herinneren welke speciaalbier hij dronk. Hij heeft zich steeds geamuseerd, dat is voldoende. Tot nu heeft hij ook nooit te horen gekregen dat hij niet meer welkom is. Meer zelfs, voor elke wandeling wordt hij aangepord om mee te gaan. Dolgelukkig zegt hij steeds zeer snel:
‘Ja, geweldig. Ik zal er zijn. Tot dan.’
Een agenda noch zaktelefoon heeft hij. Hij noteert die afspraak wel onmiddellijk op een bierkaartje van de kroeg waar de wandeling geëindigd is. Zo heeft hij daar dus al wel een mooie verzameling van unieke kaartjes. Thuis gekomen neemt hij zijn groot verguld agendaboek, dat samen met zijn contactenboek in een lederen etui naast een aangepast oud draaischijftelefoontoestel ligt, om deze afspraak over te schrijven. Zo zal hij het nooit vergeten.
Zijn ochtendritueel begint zo naast zijn telefoon. Hij komt uit bed. Stapt, soms wankelt als gevolg van de vorige nacht, naar zijn geheugenboek en ontdekt hoe hij zich die dag moet kleden. Wanneer er geen vermelding staat, durft hij wel te vergeten dat hij nog geen kleren aanheeft, terwijl hij de gordijn opentrekt om een weersvoorspelling te doen. Bij goed weer opent hij het raam om zijn lichaam van de ochtendzon te laten genieten. Vergenoegd slentert hij naar de keuken. Neemt koffiebonen uit de blikken doos, versierd met een goedlachse blonde dame met rood hoedje die een doos cichorei vasthoudt. Allemaal in door ouderdom gebleekte kleuren. Drie scheppen bonen doet hij in een houten koffiemolen. Vijfendertig, welgeteld, vijfendertig toeren draait hij dan aan de hendel. Zo bekomt hij zijn best gemalen koffie die hij in de nylonfilter stort. Die nylonfilter past perfect in de hoge blikken koffiepot die hij jaren geleden in een tweedehandswinkel vond.
Een herinnering aan de momenten dat hij bij zijn grootouders op de boerderij op vakantie mocht. Dergelijke koffiepot stond altijd op de Leuvense stoof. In de zomer was de koffie uiteraard snel lauw tot koud. Dat weerhield niemand er van een mok te nemen en de dorst te lessen met dit vocht. Bompa was niet altijd zo hoffelijk een mok te nemen. Wanneer hij van het veld kwam, schopte hij in de achterkeuken zijn blokken uit en liep direct naar de stoof. Hij greep de kan met zijn vuile handen vast, bracht de teut aan zijn mond en met een klokkend slikgeluid goot hij de koffie naar binnen. Warm of koud maakte voor hem geen verschil.
Bij koud weer legde hij ook zijn handen op de hete plaat om op te warmen. Als kleine jongen had Thomas zich daar nooit vragen bij gesteld. Tot hij het goede voorbeeld wilde volgen. Met verschroeide handen liep hij blèrend naar zijn bomma. Verschrikt zag zij deze ravage aan.
‘Maar manneke toch, dat mag je niet doen. Bompa heeft veel sterkere en dikkere handen dan jij. Wat denk je, hij zit alle dagen met zijn handen in het veld te ploeteren. Dat doe jij niet, hé;! Hij voelt dat niet wanneer hij van buiten komt. Dan heeft hij erge kou en dat warmt goed op, hé, die stoof. Maar jongen toch, ik zal daar bommazalf op doen. Dan zal het wel gaan zeker. Maar niet meer doen, hé!’
Bij heel die uitleg en de zachtheid waarmee zij hem ondertussen tegen haar schoot had gehouden, was Thomas vergeten verder te wenen. Snel ging hij terug met zijn blokken spelen. Toch kon ij ze niet meer met volle hand vastnemen. Tranen schoten in zijn ogen. Hij keek naar zijn bomma en als brave jongen klemde hij zijn tanden op elkaar om het snikken tegen te houden.
In de rechtse schuif van de commode in de voorkamer vond bomma haar wonderzalf. Ze knipte een stukje gaas die in vette groene smurrie gedrenkt was, en legde deze op de beginnende baren in Thomas handen. Snikkend verdroeg hij die koelte uit de blikken doos. Rond zijn handen werden zakdoeken gebonden. Zo was hij genoodzaakt het spelen een tijdje te staken.
Met een glimlach om zijn mond heeft Thomas dit tafereel in stille film afgespeeld. Af en toe kwam een luchtstootje door zijn neus omdat de lippen gesloten bleven.
Vandaag heeft de groep nog eens een wandeling van station naar station gedaan. Zo eenvoudig wanneer je weet wanneer de trein arriveert. Peter heeft dat allemaal op voorhand uitgekiend op zijn computer thuis. Thomas hoort hem er graag over vertellen. De moeilijkheden welke Peter soms ondervindt om de juiste informatie te vinden zijn soms hallucinant. Alles wijzigt constant en hij is ook niet meer van de jongste. Omdat hij zo zijn best doet mag hij zoveel en zo lang uitleggen als hij wil. Thomas luister aandachtig maar kan er zich geen voorstelling van maken hoe het allemaal in zijn werk gaat. Natuurlijk heeft hij al een computer gezien. Hij heeft ook gemerkt dat ze alsmaar kleiner worden. Met zijn werkmanshanden zal hij nooit één toets apart kunnen aanraken. Als hij ze al weet te vinden, zal hij best zijn pink gebruiken om niet alle omliggende toetsen mee in beweging te brengen. Zo heeft hij steeds gedacht wanneer hij in een winkel naar die uitvindingen staat te kijken. Wat kan hij ermee beginnen? Het is toch veel mooier om met sierlijke letters in een boek te schrijven! Dan slaag je het boek open en begin je te lezen. Hoe moet dat met een computer? Die kan je toch niet openvouwen? Dergelijke ideeën komen dan bij hem op. En ook nog: die telefoons van tegenwoordig. Die lijken toch niet meer op een telefoon. Je weet niet waar je moet beginnen te luisteren. En om te spreken hebben ze ook geen duidelijke micro meer. Zit die er nog wel ergens in? Hoe moet je die telefoons trouwens vasthouden en een nummer draaien? Op straat zie je veel mensen met die toestellen. Deze hebben het apparaat op allemaal verschillende manieren vast. Zijn er dan zo’n grote verschillen in? Moet je dan aan de verkoper telkens vragen hoe dit toestel werkt?
Voor Thomas geniet een mooi bakelieten toestel de voorkeur. Die voel je tenminste en je ziet ze altijd staan. Snel kwijtspelen hoort er dan niet bij. En met de draaischijf heeft hij nog nooit last gehad. Daar moet je geen hele vinger insteken. Met een tipje van eender welke vinger krijg je die in beweging. En soepel dat die schijf draait. Goh zeg, als je die toestelletjes nu ziet, sommige hebben wel aparte nummertjes, maar daar zal hij er toch meerdere ineens bij indrukken en zo bij de verkeerde correspondent terechtkomen. En klein dat die dingen zijn. Mogelijk hebben ze daarom nu van die grotere glazen bakjes gemaakt. Het lijken kleine TV toestellen wanneer je de mensen ermee bezig ziet. Een foto trekken en direct zien of ze fotogeniek genoeg overkomen. Of zien dat het eten dat ze getrokken hebben, even mooi gepresenteerd op de fot staat dan het op het bord ligt. Langs alle kanten wordt dat dan vergeleken en eventueel nog enkele keren vastgelegd. Naar het schijnt versturen ze dat ook ineens naar vrienden.
Thomas kan helemaal niet begrijpen hoe dat kan. Een stem door een draad is al zoiets wonderlijk. Nu heeft de lucht blijkbaar die koperen draad vervangen. En het is niet alleen maar de stem die verzonden of ontvangen wordt. Neen, nu vliegen die foto’s mee razendsnel door de lucht. Vreemd dat je daar niets van merkt. Veroorzaakt dat geen botsingen in de lucht? Hebben ze in het onzichtbare ook voorrangsregels en zo? Anders loopt dat toch helemaal spaak! Zoals in het verkeer als ze de reglementen niet meer kennen. Snel, snel nog door het oranje rijden om op een kruispunt te gaan staan waar geen beweging meer in te krijgen is. Thomas ziet dat graag gebeuren wanneer hij met zijn fiets is. Op zulke momenten is de weg voor hem veilig, zegt hij dan. De auto’s geraken niet meer vooruit noch achteruit. En hij slalomt naar zijn bestemming. Natuurlijk zijn er altijd zotten die bij na bumper tegen bumper staan. Daar is dan alleen een blad, in het beste geval een boek, tussen te krijgen. Maar zelfs het dikste boek haalt niet de breedte van een fiets. Nog erger natuurlijk als het groen springt aan de andere weg en de chauffeurs daar ook niets van het reglement kennen en zichzelf, en ook dikwijls voetgangers en fietsers, klem rijden. Zulke centimeter asfalt moet met blik gevuld worden. Op die momenten breekt Thomas’ klomp. Hij zou zijn kracht willen meten met de staalplaat van de koffers. Beter nog het dak van die fout gestalde auto’s. Kan een mooi roffelgeluid geven. De basdreun bij de fanfare op een alternatief slaginstrument. Zo gek is Thomas wel niet. Discussies met gestresseerde automobilisten gaat hij wel aan. Soms stelt hij voor om van voertuig te wisselen. Hij heeft toch tijd. En dan geraken de mensen misschien nog tijdig ter bestemming. Zo dom is hij wel niet, bedenkt hij zich snel. Wat zou hij met zo’n metalen kist kunnen doen? Dikwijls hebben die wel een betere muziekinstallatie dan de zijne thuis. Een dure kist aankopen om muziek te beluisteren is wel niet aan Tomas besteed.
Hij heeft een gaatje gevonden op weer zo’n druk bezet metalen plein. Met genoegen zet hij een neus naar de zich ergerende enkeling achter het stuur. Schaterend rijdt hij naar zijn tijdelijk werk. Voor hem is dat het leven. Weinig verbintenis met collega’s en regelmatig verandering. Ervaring heeft hij zo op veel gebied en flexibiliteit straat van hem af. Ook nu hij in een magazijn waar containers worden volgestouwd. De vaste werkers laten wat graag klusjes die meer inspanningen vereisen aan de tijdelijken. Alle verontschuldigingen komen naar boven. ‘Door lang hetzelfde werk te doen, een slechte rug gekregen. Vandaag voel ik me toch niet zo goed. Je moet onderaan beginnen in elke job, hé. Die job kan ik niet meer, ik ben al wel wat versleten hé.’ Voor Thomas hoeft die schijnheiligheid niet. Klauteren en hoog bovenaan net dat gaatje gevuld krijgen, daar voelt hij zich zeer prettig bij.
‘Hé, jongens. Zie eens wat die allemaal doet en kan. Gaan we bij de baas niet pleiten om die een vast contract te geven? Nog nooit zo een goede interim gehad.’
Thomas hoort dat met een lachje aan. Vanavond naar kantoor bellen voor een andere job, denkt hij dan. Ze willen hier een beetje teveel van mij profiteren.