06 november 2020

klein venijnig ding

Flinterdun, microscopisch klein, geen gewicht, zo is het begonnen. Nooit wilde het zich ergens nestelen, steeds wilde het de verre einders verkennen. Op zoek was het niet, neen. Iets ontdekken door rond te dolen, dat was de bedoeling. Het maakte niet uit wat ontdekt zou worden. Bewegen, de omgeving bezoeken zo ver als mogelijk. Dat was de enige bedoeling. Of het wel de intentie had, of het ding een opvatting of opzet had, dat deed helemaal niet ter zake.Eerst was het nog ze klein dat het niet wist of het nu door vocht of met een luchtstroom werd meegedreven. Overal kon het naar toe, en vol nieuwsgierigheid liet het zich meedrijven. Soms werd een smak tegen een wand gemaakt, maar door de gewichtloosheid kon dat niet deren. Alle uiteinden werden bezocht. Immense afstanden werden afgelegd door de kleinheid. Bij het ademen werden wel voedingsstoffen opgenomen waardoor stilaan verdikking ontstond. Maar toch bleef het zo klein en zeer fijn. Petieterig in omvang zodat er geen hindernissen kwamen. Of er een einde was, deed er niet toe. Hoe zou het dit kunnen weten op deze ontdekkingsreis. Alles zag er zo eender uit. Dat het wel verschillende richtingen werd uitgeduwd was zeker. Of het ergens belandde, daar interesseerde het zich niet in. Het werd toch mee weggezogen naar ergens anders. Snel werd vooruit gekomen, indrukken opgedaan. Langzaamaan kwam er gewicht en omvang bij. Kleine doorgangen werden te smal. Dit werd nog niet direct opgemerkt omdat er steeds een andere weg open lag. Toch begon de indruk te ontstaan dat er geen snelheid meer kon gemaakt worden. Van groeien had het geen besef, alles bleef immens. En toch werd meer en meer hinder ervaren bij het ontdekken van de omgeving.
    Leek het nu niet dat die rode en witte bollen kleiner werden? Er tussen glippen werd steeds moeilijker. Een eigen weg zoeken werd de nieuwe opdracht. Nieuwe normen die moesten worden gerespecteerd. Regelmatig waren kolonies witte bollen verzameld. Als in commando hinderden ze het minuscule ding meer en meer. Ook zij werden wel door de enorme machine voortgeduwd. Aan de stroming was geen ontkomen aan. Hoe groter en zwaarder hoe meer hinder er kwam om snelheid te maken. Hoe dichter bij de machine, hoe beter de ritmische stuwing gevoeld werd. Dit gaf een tintelende sensatie.
    Graag bleef het daar in de buurt, maar dit lukte niet door de kracht waarop het werd voortgeduwd. Bonkend bleef de aandrift in één richting duwen, tot de stuwing minderde en een zijweg een uitweg bood. Vreemd genoeg kwam dit pad dan terug aan een grotere laan waarmee het terug naar het kloppende apparaat werd geleid. De rode bolletjes hadden zich hier blijkbaar tegoed gedaan aan voedsel, zij kwamen feller tevoorschijn. Ook bij de witte bollen verdween daar de vaalheid.            Gelaten werd het meegenomen op de tocht. Plots werd het frisser. Er kwam precies van overal wind. De bolletjes zochten bescherming bij elkaar en bibberend werd de kleur weer frisser. Niet alleen een wind was voelbaar, het trekken en duwen langs alle kanten maakte dat elkeen over elkaar buitelde en dat een schijnbare rangorde een wanorde werd. Gelukkig duurde dit maar even. Dit was echter een mooie plek om vast te klampen. Het ding was groter geworden en kon zich in een smalle opening vastzetten. Rode bollen bleven opgetogen en rolden over elkaar naar een volgend spektakel.
    Witte bollen die hier nog mooi wit waren, bleven rondom dartelen. Wanneer het niet te houden was, kwam een volgende batterij hen vervangen. Het ding werd meer en meer omsingeld door witte bollen die zich begonnen in te vreten. Het ding had voldoende voedsel opgenomen en kon zich een hele tijd verweren. De witte bollen kwamen steeds in grotere aantallen, zogen zich in het ding vast tot ze vaalwit werden. Verdwenen zodat een volgende witte brigade vaalwit kon worden. Dit voelde echt als een aanval waar niet aan te ontkomen was. Hoe meer het ding zich vastklampte, hoe minder voedsel het kreeg en hoe sneller het werd leeggezogen. Het voelde zich verzwakken en bleef leeg aan de wand kleven. De laatste witte bol deed zich nog uitbundig tegoed en verkleurde extra met de laatste restanten.

De colonne vaalwitte bollen verdween om zich te gaan opfrissen.

12 oktober 2020

ver verleden

 

die mooie open velden

met in de verte stukken bos

verdeeld in weiland

en akkers vol monocultuur


laten al jaren restanten staan

te stevig om te verdwijnen

gewapend beton waarvan

ook het gebeurde niet vergaat


een kleine opening

half verscholen in de grond

hoeveel mannen zochten hier beschutting

weg van het artillerievuur


of … is hier niets gebeurd

bleef de bunker onbewoond

geschiedenis zal het vertellen

maar die wordt niet meer aangeleerd

02 oktober 2020

gelukzaligheid

 Met een brede glimlach kijkt hij naar de hemel waar hij tussen de donkergrijze wolken eindelijk de zon weer kan begroeten. Een vale schijn begint terrein te veroveren en breekt met hernieuwde moed spatje per spatje het wolkendek open. Het vraagt duidelijk een grote inspanning om de donkerte rondom een lichtere teint te geven, maar vol goede hoop blijft hij dit boeiende schouwspel volgen. De opstoten van onweders die afgewisseld werden met korte opklaringen, bleven steeds te lang duren om neerslachtigheid om te buigen. Het was geen hartverwarmende tijd waarin mistige wolken mogelijke opklaringen verdrongen.

Nu verschijnt de klaarheid meer en meer aan de hemel en de eerste prille straal van warmte bereikt hem. Hij voelt dat zijn verkleumde huid de kilheid maar graag zou kwijtspelen. De grauwheid van bemorste lucht begint te zuiveren en uit zijn denken verdwijnen ook de neerslachtige gedachten die hij tot nu voelde. Zijn hoofd heeft als eerste de koude verslagen en de opkomende warmte neemt stukje bij beetje bezit van zijn hele lichaam. Steeds opgeluchter voelt hij hoe zijn longen de nog frisse lucht verwelkomen. In alle vrijheid zwaait hij zijn armen in het rond. Zijn tenen en vingers beginnen te tintelen en de gevoelloosheid verdwijnt. Elk spiertje dat opwarmt brengt hem meer en meer in verrukking, zijn gezicht begint te stralen van gelukzaligheid.

Het zonlicht heeft de bovenhand genomen. De wolken smelten als sneeuw.

01 juni 2020

haiku 8

 

Voetgangers, fietsers

de straat is rustig, veilig

auto’s verdwenen

25 mei 2020

 haar lichaam

haar lichaam lijkt volle rijke aarde

de hele pracht tot ontdekken bereid

met de mooiste rondingen van waarde

mijn zinnen worden prikkelend geleid


verleidelijk ligt ze op bed gevlijd

sterke hoogtes, zachte laagtes ontwaard

smekend van verlangen wijd en zijd

vochtig en warm als een open haard


kom nader, voel, betast, bemachtig

alle remmen los, kort en krachtig

mannelijkheid gaat over lijken


begeerte, wellust niet in te dijken

roekeloos zonder enig respect

het vrouwtje verdwijnt, is geen lustobject


02 april 2020

covid 19

 

Vreemd!
Om contacten te kunnen behouden,
mogen we nu geen contact hebben.
 
Tijdelijk!
Hoe lang?
 
Een telefoontje, WhatsApp,
met vriend, kind, kleinkind,
blijft gelijk, ’t is op afstand
 
Wandelen en fietsen,
bewegen doet goed.
Dan mag een fijne ontmoeting.
Het moet op afstand.
 
Houden we dit lang genoeg vol?
Of gaan we door het lint?
Zodat ons leven mogelijk
aan een zijden draadje hangt.

23 maart 2020

sonnet 2

 

Wat je wil, wat je weigert, wat je bent
Toont jouw onhebbelijkheden
Hiermee lok ik je uit de tent
Dat heb je zeer goed begrepen

Je bent zo grof en onbeschoft
Niets of niemand staat je in de weg
Tot er ooit eens iemand ontploft
Dan ben je gekwetst, kruip jij niet meer recht

Zo zal ik jou dan mogen herinneren
In alle oprechtheid met de nodige schijn
Loop jij te pronken en je te etaleren

nu erken je wel je meerderen
ze tonen meer inhoud in hun brein
ach ja, jij zal het toch nooit leren

29 februari 2020

erotiek

Op een zwoele avond zitten Eva en Peter op een terras in de stad. Na enkele biertjes zoeken ze afwisseling. Het is duidelijk dat de temperatuur hen op velerlei manieren dorstig maakt. Hand in hand, bijna dartel springend, lopen ze naar de toog. Met haar hoofd tegen het zijne en haar arm rond zijn schouder, zoekt Eva mee iets pittiger op de kaart. Een onbekende naast hen zegt glimlachend: ‘Toch geweldig dat warm weer. Je zou je zo op vakantie wanen in een zuidelijk land. En jullie zouden nog meer plezier beleven.’ Zijn lach wordt nog breder, zijn lippen tuiten zich tot een klein fluitsignaal.
    Peter neemt Eva bij de lenden, streelt zachtjes hoger. Terwijl hij zijn handen langs de onderkant van haar BH naar achter laat glijden, drukt hij haar stevig tegen zich aan en fluistert in haar oor: ‘Die kerel zegt daar wat. Geweldig moment om naar ons plekje te verhuizen.’
    Met de pint aan zijn lippen kijkt de man van Peter naar Eva, terwijl zijn pretoogjes nadere uitleg vragen. Eva merkt dit en met bitse mond naast Peter ’s oor bijt ze net hard genoeg toe: ‘Zwijg onnozelaar. Zie die daar nu eens kijken. Laat mij ook maar wat meer los, ik wil bestellen.’
    Met de drank in de hand verdwijnen ze naar de verlaten plaatsen buiten. Het glas tegen zijn lippen trekt hij een frons in zijn voorhoofd. Vervelende gedachten zweven door zijn hoofd: ‘Ik was weer te vrijpostig, daar moet ik toch echt op letten! Heb ik onze avond helemaal verknald? Wat ga ik nog te horen krijgen?’ Eva nipt van haar voorliefde. Duidelijk dat deze porto van 10 jaar haar bevalt. ‘Aiai, hoe spiedt ze tussen haar wimpers naar mij, dat belooft niet veel goeds.’ Met een bittere trek om haar mond neemt ze nog een slokje.
    ‘Tot nu hebben we “ons plekje” goed kunnen verzwijgen. Ook met vrienden erbij lukte dat heel goed. En nu…’
    ‘Sorry Eva, ik zal toch eens moeten leren te zwijgen als ’t nodig is.’
    ‘Ja, inderdaad. Zou je hem graag als gluurder hebben of zo?’ Langzaam verdwijnt de duisternis uit de blik van Eva. ‘Ach ja, hij kent ons niet. Bij vrienden moeten we opletten, die zouden wel eens verder durven vragen. Bij hen kon je tot nu goed op je woorden letten.’ Een glimlachje verschijnt op haar lippen. ‘Zelfs van jou heb ik mooie omschrijvingen gehoord waar niemand juist begreep waarover we het hadden.’
    ‘Ja, zoals Wim vorige week. Die dacht dat we op vakantie waren geweest. Hoe jij hem dan aanporde om zijn fantasie bot te vieren. Je was geweldig.’
    ‘Terwijl wij in stilte herinnerden. Ik hield jou in het oog. Je glimlach verraadde je warme droom. Je was schattig om te zien. Maar vooral: je zweeg.’
    ‘Gelukkig ja. Vanavond kon ik het niet laten.’
    ‘Daar herken ik je in. Soms ben je zo ondoordacht. Je zal het nooit leren. Maar ja, de warmte vanavond nodigt wel uit. Drink dat bier op, we zijn weg.’ Met haar tong tussen haar lippen knipoogt ze.
    Tijdens deze warme zomer verdwenen ze al regelmatig in hun spelonk tussen de struiken. Met de bescherming van de overhangende takken genieten ze van de buitenlucht. Soms bespioneren ze wandelaars. Wanneer deze zich alleen wanen op dit romantisch pad, kunnen zij hun wilde dromen delen. Bij momenten gaat het er hevig aan toe, en worden zij opgewonden door de begluurde taferelen.
    Ze beseffen wel dat ze zich gedeisd moeten houden in deze open omgeving. Dat maakt het natuurlijk nog wat spannender. Ze willen hun plekje zeker niet verraden, bij een volgend bezoek zouden ze dan op “belet” kunnen stuiten.
    Bij het schemerduister vanavond is er niemand in de omgeving te zien. De avond nodigt meer uit om te verkoelen met een frisse drank. In het centrum waren de terrassen overal overvol vanavond. Het dokje ligt even buiten het centrum. Daar is het nu zeer rustig. Snel is Peter tussen de takken verdwenen. Eva is steeds voorzichtiger. Voor alle zekerheid overschouwt ze de omgeving vooraleer ze bij Peter op hun schoongemaakt vertrouwd bedje kruipt. Dan laat zij haar duivels los en trekt zijn shirt bruusk uit. Zijn handen jeuken ook. Haar hemdje is echter van fijn stof. Hij moet voorzichtiger zijn.
    Plots horen ze een krakende tak. Peter stopt bij het derde knoopje en opent het kijkgat in de haag iets meer om in de directe omgeving de oorzaak te vinden. Een jong koppel heeft, niet zo ver van hun plekje, een stukje zachtheid gevonden. Ook Eva ziet ze en draait zich naar Peter, fezelt: ‘pffff, we waren net op tijd. Ik heb ze niet gezien, jij wel?’ Het tafereel boeit Peter. Die jongeren laten er geen gras over groeien. Ook zij hebben de handen onder elkaars kleren laten glijden. Ze kantelen recht terwijl ze de bovenkledij als triomf in de hoogte houden. Langzaam verdwijnen de kleren achter hun rug, zodat ze de handen weer vrij hebben om de nu naakte huid van de ander te strelen. Ook de monden zoeken elkaar terug op.
    Peter zoekt de blinkende ogen van Eva. Zij begint zijn hoofdhaar te aaien. Glijdt met de toppen van haar wijs- en middenvinger achter zijn oor. Peter glijdt zijn handen over haar lichaam, kust haar neus zachtjes en met zijn tanden beroert hij even haar neuspuntje. Zacht glijden zijn lippen steeds dieper tot ze op stof stuiten. Knoopje per knoopje opent hij het bloesje van Eva verder. Telkens een stukje nieuw bloot zichtbaar komt, streelt hij zijn lippen over dit plekje. Meer naar beneden probeert hij met zijn mond een grotere knoop los te maken. Gewillig helpt Eva en ze gooit het rokje tegen een struik die een knappend geluid maakt. Snel brengt ze haar wijsvinger voor de mond. Uit voorzichtigheid loert Peter door het kijkgaatje. De buren zijn te intens bezig om iets te merken.
    Peter en Eva volgen hun voorbeeld en vleien zich op een paar kledingstukken. Zijn blik bewondert haar rondingen. Haar hand streelt mijn hardheid. Ze glijden in een wilde roes van gelukzaligheid.

08 februari 2020

Rommelpotje

 

rommelpotje

rammelt, rinkelt, twinkelt

munten en dingetjes

prulletjes en zinnetjes

van alles propte ik er in

mijn rommelpotje, bewaardoos

voor later, wie weet

22 januari 2020

de trein

‘Papa, waarom staat de trein stil?’

‘We mogen nog niet vertrekken, jongen. Het is nog geen tijd.’

‘Waarom is het nog geen tijd, papa. Tijd is er toch altijd?’

‘Voor deze trein is het nog niet de juiste tijd om te vertrekken. Daarom staan we nog stil.’

‘Papa, wanneer vertrekken we dan?’

‘Wanneer de conducteur aangeeft dat we kunnen vertrekken.’

‘Hoor, papa, een fluitje. Waarom fluiten ze in een station, papa?’

‘Dat was de conducteur, jongen. Zo weten we dat het tijd is om te vertrekken. Nu hoor je de deuren toegaan.’

‘Rijdt de trein altijd zo traag, papa?’

‘Wanneer die direct snel zou rijden, zou jij vallen, jongen. Ga maar zitten, seffens val je nog.’

‘Maar papa, de trein rijdt toch niet snel.’

‘Wacht maar, jongen.’

‘Ja papa, nu rijdt die wel snel. Zie, dat is plezant, hé. Nu is dat precies of alles traag is, hé papa.’

‘Ja jongen. Dat zal je later wel leren op school waarom dat zo lijkt. Natuurlijk stappen de mensen even snel als altijd. En die pilaren die staan nu wel stil ook, natuurlijk. En die trein rijdt trager dan de onze, maar dan staat die precies stil. Mooi om te zien, maar alles blijft wel normaal, zenne.’

‘Maar, maar. Nu rijdt die trein weer trager.’

‘Papa, waarom hebben die mevrouwen het nu zo warm?’

DING, DONG

‘Beste trainrazigers, we kommen oan in Broeksel. Dezen train stopt eerst in den Brussel Nor, …’

Leuke taal, een echte Broesseleir.

18 januari 2020

luister

 

luister, luister, zoals men zegt

naar woorden die jij hoort

die niet begrepen worden

zoals jij ze verstond



luister, luister, niet zoals men zegt

naar de woorden die jij verstond

die je anders hebt gehoord

die jij zo begrijpt



luister, luister, zoals men hoort

naar de woorden die jij sprak

die je anders hebt begrepen

die jij verkeerd verstond

17 januari 2020

Thomas, de wandelaar

 Zelfs thuis durf ik verloren te lopen. Gelukkig niet in huis, daar vindt geen kat mij. Die heb ik ook niet, dus die zal niet zoeken, haha.

‘Maar hier sta je dan. Heel lang is dat avontuur geleden? Toch al een tijd, denk ik. Je ziet er goed uit en je kan het zelfs met een lachje vertellen.’

‘Ach Peter, zolang is dat niet geleden hoor. Ik heb net mijn weg naar ons stamcafé terug gevonden. Dat is voor mij voldoende. Hé Pierre, geeft de Peter en mij nog eens een pint!’


Hoelang Thomas onderweg is geweest, kan hij ook niet vertellen. Zo gebonden aan zijn horloge, dat hij ze nu vergeten is, en geen tijdsbesef heeft. Een verloren gelopen kip zonder kop die nu op zijn vertrouwde barkruk naast zijn wandelvriend zit. Alleen wandelen doet hij zeer graag. Op bekend terrein, zoals nu, kan hij zelfs zijn spoor bijster geraken. Lopen om te lopen, noemt hij dat. En hij vindt dat dom. Veel gaat hij niet op onbekende paden, hij kent zijn beperkingen. Toch zal hij het op zijn eentje proberen wanneer Peter in geuren en kleuren over een tocht van lang geleden begint te vertellen. Alles wat hij toen gezien heeft komt Peter voor de ogen en hij beschrijft dat zo uitnodigend dat Thomas toch zin krijgt om die prachtzichten ook te ontdekken. Een soort jaloezie bekruipt hem dan, zegt hij. Waarom kan hij ’s avonds al niet meer vertellen waar hij geweest is, en wat hij gezien heeft? Beelden durven nog wel te verschijnen, ze passen echter niet op de landkaart die hij zich voorstelt. Niet getreurd echter. In de wandelclub wordt meer gepraat en gedronken. Wat hij allemaal gezegd heeft en hoeveel hij dronk, doet er niet toe. Door de hoeveelheid zal hij zich ook niet herinneren welke speciaalbier hij dronk. Hij heeft zich steeds geamuseerd, dat is voldoende. Tot nu heeft hij ook nooit te horen gekregen dat hij niet meer welkom is. Meer zelfs, voor elke wandeling wordt hij aangepord om mee te gaan. Dolgelukkig zegt hij steeds zeer snel:

‘Ja, geweldig. Ik zal er zijn. Tot dan.’

Een agenda noch zaktelefoon heeft hij. Hij noteert die afspraak wel onmiddellijk op een bierkaartje van de kroeg waar de wandeling geëindigd is. Zo heeft hij daar dus al wel een mooie verzameling van unieke kaartjes. Thuis gekomen neemt hij zijn groot verguld agendaboek, dat samen met zijn contactenboek in een lederen etui naast een aangepast oud draaischijftelefoontoestel ligt, om deze afspraak over te schrijven. Zo zal hij het nooit vergeten.

Zijn ochtendritueel begint zo naast zijn telefoon. Hij komt uit bed. Stapt, soms wankelt als gevolg van de vorige nacht, naar zijn geheugenboek en ontdekt hoe hij zich die dag moet kleden. Wanneer er geen vermelding staat, durft hij wel te vergeten dat hij nog geen kleren aanheeft, terwijl hij de gordijn opentrekt om een weersvoorspelling te doen. Bij goed weer opent hij het raam om zijn lichaam van de ochtendzon te laten genieten. Vergenoegd slentert hij naar de keuken. Neemt koffiebonen uit de blikken doos, versierd met een goedlachse blonde dame met rood hoedje die een doos cichorei vasthoudt. Allemaal in door ouderdom gebleekte kleuren. Drie scheppen bonen doet hij in een houten koffiemolen. Vijfendertig, welgeteld, vijfendertig toeren draait hij dan aan de hendel. Zo bekomt hij zijn best gemalen koffie die hij in de nylonfilter stort. Die nylonfilter past perfect in de hoge blikken koffiepot die hij jaren geleden in een tweedehandswinkel vond.

Een herinnering aan de momenten dat hij bij zijn grootouders op de boerderij op vakantie mocht. Dergelijke koffiepot stond altijd op de Leuvense stoof. In de zomer was de koffie uiteraard snel lauw tot koud. Dat weerhield niemand er van een mok te nemen en de dorst te lessen met dit vocht. Bompa was niet altijd zo hoffelijk een mok te nemen. Wanneer hij van het veld kwam, schopte hij in de achterkeuken zijn blokken uit en liep direct naar de stoof. Hij greep de kan met zijn vuile handen vast, bracht de teut aan zijn mond en met een klokkend slikgeluid goot hij de koffie naar binnen. Warm of koud maakte voor hem geen verschil.

Bij koud weer legde hij ook zijn handen op de hete plaat om op te warmen. Als kleine jongen had Thomas zich daar nooit vragen bij gesteld. Tot hij het goede voorbeeld wilde volgen. Met verschroeide handen liep hij blèrend naar zijn bomma. Verschrikt zag zij deze ravage aan.

‘Maar manneke toch, dat mag je niet doen. Bompa heeft veel sterkere en dikkere handen dan jij. Wat denk je, hij zit alle dagen met zijn handen in het veld te ploeteren. Dat doe jij niet, hé;! Hij voelt dat niet wanneer hij van buiten komt. Dan heeft hij erge kou en dat warmt goed op, hé, die stoof. Maar jongen toch, ik zal daar bommazalf op doen. Dan zal het wel gaan zeker. Maar niet meer doen, hé!’

Bij heel die uitleg en de zachtheid waarmee zij hem ondertussen tegen haar schoot had gehouden, was Thomas vergeten verder te wenen. Snel ging hij terug met zijn blokken spelen. Toch kon ij ze niet meer met volle hand vastnemen. Tranen schoten in zijn ogen. Hij keek naar zijn bomma en als brave jongen klemde hij zijn tanden op elkaar om het snikken tegen te houden.

In de rechtse schuif van de commode in de voorkamer vond bomma haar wonderzalf. Ze knipte een stukje gaas die in vette groene smurrie gedrenkt was, en legde deze op de beginnende baren in Thomas handen. Snikkend verdroeg hij die koelte uit de blikken doos. Rond zijn handen werden zakdoeken gebonden. Zo was hij genoodzaakt het spelen een tijdje te staken.

 

Met een glimlach om zijn mond heeft Thomas dit tafereel in stille film afgespeeld. Af en toe kwam een luchtstootje door zijn neus omdat de lippen gesloten bleven.


Vandaag heeft de groep nog eens een wandeling van station naar station gedaan. Zo eenvoudig wanneer je weet wanneer de trein arriveert. Peter heeft dat allemaal op voorhand uitgekiend op zijn computer thuis. Thomas hoort hem er graag over vertellen. De moeilijkheden welke Peter soms ondervindt om de juiste informatie te vinden zijn soms hallucinant. Alles wijzigt constant en hij is ook niet meer van de jongste. Omdat hij zo zijn best doet mag hij zoveel en zo lang uitleggen als hij wil. Thomas luister aandachtig maar kan er zich geen voorstelling van maken hoe het allemaal in zijn werk gaat. Natuurlijk heeft hij al een computer gezien. Hij heeft ook gemerkt dat ze alsmaar kleiner worden. Met zijn werkmanshanden zal hij nooit één toets apart kunnen aanraken. Als hij ze al weet te vinden, zal hij best zijn pink gebruiken om niet alle omliggende toetsen mee in beweging te brengen. Zo heeft hij steeds gedacht wanneer hij in een winkel naar die uitvindingen staat te kijken. Wat kan hij ermee beginnen? Het is toch veel mooier om met sierlijke letters in een boek te schrijven! Dan slaag je het boek open en begin je te lezen. Hoe moet dat met een computer? Die kan je toch niet openvouwen? Dergelijke ideeën komen dan bij hem op. En ook nog: die telefoons van tegenwoordig. Die lijken toch niet meer op een telefoon. Je weet niet waar je moet beginnen te luisteren. En om te spreken hebben ze ook geen duidelijke micro meer. Zit die er nog wel ergens in? Hoe moet je die telefoons trouwens vasthouden en een nummer draaien? Op straat zie je veel mensen met die toestellen. Deze hebben het apparaat op allemaal verschillende manieren vast. Zijn er dan zo’n grote verschillen in? Moet je dan aan de verkoper telkens vragen hoe dit toestel werkt?

Voor Thomas geniet een mooi bakelieten toestel de voorkeur. Die voel je tenminste en je ziet ze altijd staan. Snel kwijtspelen hoort er dan niet bij. En met de draaischijf heeft hij nog nooit last gehad. Daar moet je geen hele vinger insteken. Met een tipje van eender welke vinger krijg je die in beweging. En soepel dat die schijf draait. Goh zeg, als je die toestelletjes nu ziet, sommige hebben wel aparte nummertjes, maar daar zal hij er toch meerdere ineens bij indrukken en zo bij de verkeerde correspondent terechtkomen. En klein dat die dingen zijn. Mogelijk hebben ze daarom nu van die grotere glazen bakjes gemaakt. Het lijken kleine TV toestellen wanneer je de mensen ermee bezig ziet. Een foto trekken en direct zien of ze fotogeniek genoeg overkomen. Of zien dat het eten dat ze getrokken hebben, even mooi gepresenteerd op de fot staat dan het op het bord ligt. Langs alle kanten wordt dat dan vergeleken en eventueel nog enkele keren vastgelegd. Naar het schijnt versturen ze dat ook ineens naar vrienden.

Thomas kan helemaal niet begrijpen hoe dat kan. Een stem door een draad is al zoiets wonderlijk. Nu heeft de lucht blijkbaar die koperen draad vervangen. En het is niet alleen maar de stem die verzonden of ontvangen wordt. Neen, nu vliegen die foto’s mee razendsnel door de lucht. Vreemd dat je daar niets van merkt. Veroorzaakt dat geen botsingen in de lucht? Hebben ze in het onzichtbare ook voorrangsregels en zo? Anders loopt dat toch helemaal spaak! Zoals in het verkeer als ze de reglementen niet meer kennen. Snel, snel nog door het oranje rijden om op een kruispunt te gaan staan waar geen beweging meer in te krijgen is. Thomas ziet dat graag gebeuren wanneer hij met zijn fiets is. Op zulke momenten is de weg voor hem veilig, zegt hij dan. De auto’s geraken niet meer vooruit noch achteruit. En hij slalomt naar zijn bestemming. Natuurlijk zijn er altijd zotten die bij na bumper tegen bumper staan. Daar is dan alleen een blad, in het beste geval een boek, tussen te krijgen. Maar zelfs het dikste boek haalt niet de breedte van een fiets. Nog erger natuurlijk als het groen springt aan de andere weg en de chauffeurs daar ook niets van het reglement kennen en zichzelf, en ook dikwijls voetgangers en fietsers, klem rijden. Zulke centimeter asfalt moet met blik gevuld worden. Op die momenten breekt Thomas’ klomp. Hij zou zijn kracht willen meten met de staalplaat van de koffers. Beter nog het dak van die fout gestalde auto’s. Kan een mooi roffelgeluid geven. De basdreun bij de fanfare op een alternatief slaginstrument. Zo gek is Thomas wel niet. Discussies met gestresseerde automobilisten gaat hij wel aan. Soms stelt hij voor om van voertuig te wisselen. Hij heeft toch tijd. En dan geraken de mensen misschien nog tijdig ter bestemming. Zo dom is hij wel niet, bedenkt hij zich snel. Wat zou hij met zo’n metalen kist kunnen doen? Dikwijls hebben die wel een betere muziekinstallatie dan de zijne thuis. Een dure kist aankopen om muziek te beluisteren is wel niet aan Tomas besteed.

Hij heeft een gaatje gevonden op weer zo’n druk bezet metalen plein. Met genoegen zet hij een neus naar de zich ergerende enkeling achter het stuur. Schaterend rijdt hij naar zijn tijdelijk werk. Voor hem is dat het leven. Weinig verbintenis met collega’s en regelmatig verandering. Ervaring heeft hij zo op veel gebied en flexibiliteit straat van hem af. Ook nu hij in een magazijn waar containers worden volgestouwd. De vaste werkers laten wat graag klusjes die meer inspanningen vereisen aan de tijdelijken. Alle verontschuldigingen komen naar boven. ‘Door lang hetzelfde werk te doen, een slechte rug gekregen. Vandaag voel ik me toch niet zo goed. Je moet onderaan beginnen in elke job, hé. Die job kan ik niet meer, ik ben al wel wat versleten hé.’ Voor Thomas hoeft die schijnheiligheid niet. Klauteren en hoog bovenaan net dat gaatje gevuld krijgen, daar voelt hij zich zeer prettig bij.

‘Hé, jongens. Zie eens wat die allemaal doet en kan. Gaan we bij de baas niet pleiten om die een vast contract te geven? Nog nooit zo een goede interim gehad.’

Thomas hoort dat met een lachje aan. Vanavond naar kantoor bellen voor een andere job, denkt hij dan. Ze willen hier een beetje teveel van mij profiteren.

13 januari 2020

herinnering

     ‘né, né’. Het hoofdje wordt geschud en de armpjes bewegen afwerend. Toch aandringen helpt niet. De ‘né, né’ wordt luider en bijna schreiend geroepen. Toch beweegt het hoofdje bijna zoals de Grieken met hetzelfde woord instemmend antwoorden. Duidelijk dat ze die roots niet heeft. Nogmaals proberen een lepeltje yoghurt te geven maakt haar driester. Alles wat in de omgeving op de tafel ligt mag er plotsklaps niet meer liggen. Met bruuske bewegingen schuift ze alles binnen haar bereik weg. Het dendert op de grond, dat maakt haar nog wat onstuimiger. Zoveel als mogelijk buigt ze zich in haar stoeltje over de tafel om alsnog een bord weg te gooien. Met een keepersreactie draait haar vader zich om en kan nog net op tijd de val voorkomen. Jammer genoeg kan hij het potje yoghurt niet in het oog houden. In zijn reddende beweging heeft hij dit snel neer kunnen zetten, wel binnen het bereik van de kinderhandjes. Het bord heeft de woestenij overleefd. De smurrie van het neergekwakte potje is echter helemaal in het rond op de vloer en tegen de kast terechtgekomen. Langzaam druipt de licht gekleurde yoghurt van de kastwand. Vader zucht en neemt de kleine uit haar babystoel op zijn schoot.
    ‘ssst …’ Terwijl hij langzaam over haar rugje wrijft en haar dichter tegen zich drukt, begint hij zachtjes te praten. ‘ssst …, Ayla, ik merk wel dat je geen zin hebt.’
    “Nam” of is het “ham”. De oogjes duiden duidelijk dat ze het lust. Haar handje heeft het plastic lepeltje stevig omklemt en zo neemt ze een portietje om in haar mond te steken. Uiteraard schept ze het nog niet mooi op en blijft een deel aan haar kinnetje hangen. Maar flink kauwend grabbelt ze al een tweede keer in het bordje.
    Aan het hoofd van de tafel voelt ze dat iedereen naar haar kijkt. Haar tevreden klanken hebben de lach op de lippen van de familiale toeschouwers getoverd. Wanneer ze deze glunderende gezichten ziet, kan ze niet achterblijven. Ze lacht haar jonge bijtertjes bloot. Met jolige oogjes gooit ze er nog een snerend brullend lachje bij. Hiermee krijgt ze nog meer bijval.
    Ze kijkt rechts naar haar mama die met een brede glimlacht haar eerste roep herhaalt “nam”. Ze lacht nog wat harder en gunt haar papa ook een blik op haar pretoogjes. De vader is gecharmeerd en buigt zijn hooft naar haar hoofdje met een zacht brommend geluid. Het jolijt kan niet meer stuk. Ze klopt met de steel van het lepeltje in haar bord en lacht nog uitbundiger. Van de tafel komt extra instemmend gelach.
    Mama heeft nu meer werk om ze terug een schepje in het mondje te schuiven. De aandacht behaagt haar meer dan het genoegen een lekker hapje te proeven. Toch blijft mama aandringen met het lepeltje voor haar lipjes. De verwachte lekkernij laat haar toehappen. Opa aapt haar nog even na en beweegt zijn sluitende mond naar voor terwijl hij “ham” zegt. Weer hilariteit aan de tafel wanneer het kleintje dit gebaar met een schaterlach beantwoordt. Dat het lekkers niet helemaal binnen blijft, beseffen alleen de ouderen. Ons lieve kleintje blijft iedereen gelukkig maken met haar guitige snoetje. Het hongertje blijft haar aanzetten af en toe het mondje te opeen. Zeer duidelijk is te zien dat ze daarbij te haastig is. Een brij blijft achteraan haar keel steken. Mama reageert door een extra kleine portie te geven. Ze hapt deze kleinigheid begerig naar binnen. Even haastig probeert ze dit in de keel te krijgen. Met een hoestbui belandt alles op de tafel.
    Het lachen is snel overgegaan op huilen en hoesten. Mama neemt haar snel uit de stoel. Met opengetrokken ogen leunt ze het gezichtje op de schouder van haar reddende engel. Zachte rugklopjes brengen haar terug bij positieven. Zoals de regenboog ook het einde van nattigheid aankondigt, begint het opgewekte kind door de tranen door al terug te lachen.

12 januari 2020

Janneke en Mieke

Janneke en Mieke gaan voor het eerst samen op vakantie. Oh, wat heerlijk om met zo’n ordinaire naam en begrip te beginnen. Zoals: Janneke zag eens pruimen hangen, maar deze van Mieke nu toch liever snoept.    
    Samen uit, samen thuis, dat zijn ze nu enkele maanden gewoon. Een onafscheidelijk koppel, een mooi koppel, onverwoestbare liefde, ze vullen elkaar mooi aan, die relatie zal lang meegaan. Deze complimenten hoorden ze meermaals. Prettig natuurlijk om in de omgeving zoveel supporters te hebben. Daardoor zijn ze er zelf ook stellig in gaan geloven. Soms liep het al wel eens fout en kan het een tijdje duren vooraleer het onweer overgedreven is. Niemand weet ervan, uiteraard. Hoe zou zo een passend koppel nu ooit in onmin kunnen leven? Op dergelijke momenten houden ze de schijn hoog, soms bijna met tranen in de ogen. Is dat veel gebeurd? Natuurlijk niet, het gaat echt goed tussen hen.
    Deze conflicten brengen hen ook dichter bij elkaar, dat ervaren ze zeer sterk. Ze gaan er wel geen ruzie voor zoeken, wanneer het ervan komt, kan het ook wat duren voor de mist is opgetrokken en de communicatie terug begrijpbaar is. Bij elk jong stel met toekomst hoort dit hij het groeiproces en kan dit regelmatig voorkomen. Ook voor deze vakantie was het van dat. Terwijl de vrienden hen geamuseerd staan uit te wuiven, weet Janneke niet welke richting hij zal nemen. Op internet vond Mieke een goede begeleiding om de reis voor te bereiden. Zij volgde het “niet-vergeten” en “to-do”-lijstje zeer trouw op. Uiteraard worden overbodige kampeerspullen voorgesteld. Hier hadden ze dan een kwispeltje voor gemaakt: wie kent de meeste andere merken die een dergelijk product hebben, of: wat is het nut van dit product. De fantasie had hen geholpen om andere, toch nuttige aankopen te doen.
    De tent en toebehoren, kledij voor warme en hopelijk weinig koude of regenachtige dagen, proviand om niet direct een winkel te moeten zoeken, alles zit mooi opgestapeld in hun bijna nieuwe auto. Met dat “bijna” is de discussie begonnen. Janneke wil het rustig aan doen. Het is vakantie en dan mag het tempo lager zijn voor hem. Zo wil hij ook de auto de tijd geven om zich als rijdend lijdend voorwerp te gaan gedragen. Daar moeten geen driloefeningen van overdreven snelheid, piepende inhaalmanoeuvres en andere zotternijen aan te pas komen. Mieke heeft van de garagist dan weer gehoord dat de auto van in het begin moet opgedreven worden tot hoger toerental, om niet te mak te worden. Daar wil Janneke wel voor zorgen, maar dan toch op een rustige manier. En Janneke rijdt niet graag via “die ellendig eentonig lange autostrades, zonder afwisseling” naar het zuiden. Hij verkiest het rustig te doen via de secundaire wegen en de route verte. Zoveel aangenamere omgeving, alleen zorgen de grote en veelvuldige ronde punten in Frankrijk, samen met de budgetrijders, dan wel voor filerijden. Daarbij zijn deze wegen niet zo afgevlakt, waardoor regelmatig een klimmetje moet getrotseerd worden. Dat moet dit wagentje toch aankunnen. Daarbij is de rustige rijstijl die Janneke zich aanmeet ook nog een voordeel om van de omgeving te genieten. Zoveel expertise en ervaring heeft hij wel, zo moest hij dit aan Mieke verzekeren.
    Zij is echter op haar hoede. Heeft de garagist niet gewaarschuwd om files en bergen te vermijden? Zij is er vast van overtuigd en geeft dan ook de voorkeur aan de autostrades. Dat is wel wat duurder, maar je bent wel sneller ter bestemming. Dat is toch ook prettig!   
    Janneke vindt de bestemming ook wel leuk. Hij ziet het wel niet zo zitten om die ellendig lange, gladde, zonder afwisseling, op zachte ondergrond glijdende autostrades, te gebruiken. Wat een omgeving. Geen enkel dorp te zien en je bent zo in het zuiden. Je krijgt de tijd niet om met de afwisseling van de omgeving afwisseling van gedachten te krijgen. Van de werktijd overschakelen om de vakantietijd, die mag toch wat trager gaan.
    Mieke hield echter voet bij stuk. Ze wil zo snel mogelijk met Janneke de tent induiken om van de vrije tijd een extra warme, zoete, tedere en onvergetelijke gebeurtenis van te maken.
    Dit opwindende vooruitzicht heeft Janneke echter niet kunnen overtuigen. Wanneer het moment een dag later zou vallen of niet, hij weet dat deze tijd onvergetelijk zal zijn. Hun eerste jaar samen was een gedroomde belevenis, de eerste gezamenlijke vakantie zal de kers op de taart zijn. Zijn kantoortijd werkte hij volautomatisch, de job was ondergeschikt geweest. Ook voor Mieke waren de werkuren, uren van een vooruitzicht. Jammer genoeg vloog de tijd samen steeds te snel voorbij. Waar ze op haar kantoorstoel aan dacht, had ook minder met de job dan met de avond of het weekeinde te maken. Het was in feite zeer leuk die momenten enkele keren terug te beleven. Op die manier kon ze ook vriendelijk blijven tegen de mensen aan de andere kant van het loket. Soms moest ze zich wel concentreren wanneer de vraag niet over geld, maar over een krediet ging. Gelukkig kan ze de klant dan meestal snel doorverwijzen naar een collega die hierover zijn specialiteit heeft gemaakt. Ook beleggingen kan ze voorlopig nog afwerken, hoewel ze zich hierover pas aan het bekwamen is. Meer en meer ziet ze minder en minder klanten om geld af te halen. Alleen de oudjes blijven zowat over. Toch moet ze die ook aanzetten om niet meer binnen te komen voor die futiliteit, ze heeft er al verschillende op we geholpen met de nieuwe toestellen. Hiervoor wordt ze zelf stilaan overbodig. De jongeren kennen die automaten en gebruiken die spelenderwijs, soms letterlijk. Ook zij heeft nu speciaal voor deze reis haar kredietkaart laten aanpassen zodat ze sneller zullen geholpen worden, voordeel van in de branche te werken en de nieuwigheden als proef mee te krijgen. 
    Zo zit ze nu naast Janneke in zichzelf te mokken en zich af te vragen of ze de kaart bij de eerste péage zal kunnen gebruiken, of Janneke zal blijven doorrijden op deze sluipwegen. Ze moet wel toegeven dat ze al enkele grappige ronde punten zijn gepasseerd. Over enkele dagen volgt de tourkaravaan hen bijna volledig en dat is sterk te merken. Ook hier zijn het pas geasfalteerde wegen, snelheidsremmers op de weg zijn tijdelijk verwijderd, en ook zij voelt zich aangemoedigd door de wimpels, foto’s en geschilderde kreten op het wegdek. Soms rijdt Janneke zelfs te snel om alles te kunnen lezen. Ze kijkt haar ogen uit, hij concentreert zich om veilig te blijven.
    Met grote vochtige ogen kijkt Mieke Janneke aan. Achterovergeleund in de comfortabele zetel van deze luxueuze auto schitteren haar ogen terwijl ze haar blik een lange tijd niet van de lippen van Janneke kan weghouden, terwijl ze zelf met haar tong haar eigen lippen langs alle kanten bevochtigd. Onbewust? Haar armen rusten langs haar lichaam, de handen samengevouwen op het rechterbovenbeen. Inderdaad, ze leunt een beetje schuin met haar hoofd nog iets meer gebogen. Een vlieg zal het moeilijk hebben om haar uit de dromerige toestand te halen.
    Janneke blijft geconcentreerd vooruitblikken Met flitsen bekijkt hij het naastgelegen landschap, soms huizen. Bij elk rond punt glimlacht hij tijdens het vertragen. Zijn ogen dwalen over weer een nieuwe inplanting, telkens met andere thema’s. Daartussen merkt hij ook de leuke, soms uiterst grappige verwijzingen naar de tour. Een boer uit stro, met houten klompen, volledig uitgedost in een wielertenue, zit op een oude damesfiets. Aan de pinnen van een riek, die omgekeerd aan het stuur vastgebonden is, hangt een rood-wit-blauwe vlag met de in zwarte verf aangebrachte woorden: “Allé, Julien”. Een stok bovenaan en één onderaan, houdt de vlag stokstijf, zodat deze enkele woorden duidelijk te lezen blijven.    De ogen van Janneke die in het voorbijrijden aan dit bedenksel blijven hangen, trekken ook de ogen van Mieke naar deze aanmoediging. Mieke begint te schateren. Zo uitbundig dat Janneke zijn blik naar haar wendt en mee in een onbedwingbare lachbui schiet. Bijna ongecontroleerd draait hij aan het stuur en scheert rakelings naast de hoekborduur. Even verder krijgt hij met tranen in de ogen de auto opzij van de weg tot stilstand. Beide blijven nog even gieren tot Janneke zijn hoofd schudt, naar Mieke kijkt, nog even hikt en nu met een glimlach om de lippen Mieke haar lach tot bedaren ziet brengen. Ook zij blijft hem aanstaren met haar blinkende ogen en een glimlach op de lippen.    Langzaam beweegt ze zich naar voren en drukt haar lippen halfgeopend op deze van Janneke. ‘Je hebt gelijk, deze wegen zijn veel leuker dan die ellendig eentonig lange autostrades, zonder afwisseling.’