Thomas, de wandelaar
Zelfs thuis durf ik verloren te lopen. Gelukkig niet in huis, daar
vindt geen kat mij. Die heb ik ook niet, dus die zal niet zoeken,
haha.
‘Maar hier sta je dan. Heel lang is dat avontuur geleden? Toch al
een tijd, denk ik. Je ziet er goed uit en je kan het zelfs met een
lachje vertellen.’
‘Ach Peter, zolang is dat niet geleden hoor. Ik heb net mijn weg
naar ons stamcafé terug gevonden. Dat is voor mij voldoende. Hé
Pierre, geeft de Peter en mij nog eens een pint!’
Hoelang Thomas onderweg is geweest, kan hij ook niet vertellen. Zo
gebonden aan zijn horloge, dat hij ze nu vergeten is, en geen
tijdsbesef heeft. Een verloren gelopen kip zonder kop die nu op zijn
vertrouwde barkruk naast zijn wandelvriend zit. Alleen wandelen doet
hij zeer graag. Op bekend terrein, zoals nu, kan hij zelfs zijn spoor
bijster geraken. Lopen om te lopen, noemt hij dat. En hij vindt dat
dom. Veel gaat hij niet op onbekende paden, hij kent zijn
beperkingen. Toch zal hij het op zijn eentje proberen wanneer Peter
in geuren en kleuren over een tocht van lang geleden begint te
vertellen. Alles wat hij toen gezien heeft komt Peter voor de ogen en
hij beschrijft dat zo uitnodigend dat Thomas toch zin krijgt om die
prachtzichten ook te ontdekken. Een soort jaloezie bekruipt hem dan,
zegt hij. Waarom kan hij ’s avonds al niet meer vertellen waar hij
geweest is, en wat hij gezien heeft? Beelden durven nog wel te
verschijnen, ze passen echter niet op de landkaart die hij zich
voorstelt. Niet getreurd echter. In de wandelclub wordt meer gepraat
en gedronken. Wat hij allemaal gezegd heeft en hoeveel hij dronk,
doet er niet toe. Door de hoeveelheid zal hij zich ook niet
herinneren welke speciaalbier hij dronk. Hij heeft zich steeds
geamuseerd, dat is voldoende. Tot nu heeft hij ook nooit te horen
gekregen dat hij niet meer welkom is. Meer zelfs, voor elke wandeling
wordt hij aangepord om mee te gaan. Dolgelukkig zegt hij steeds zeer
snel:
‘Ja, geweldig. Ik zal er zijn. Tot dan.’
Een agenda noch zaktelefoon heeft hij. Hij noteert die afspraak wel
onmiddellijk op een bierkaartje van de kroeg waar de wandeling
geëindigd is. Zo heeft hij daar dus al wel een mooie verzameling van
unieke kaartjes. Thuis gekomen neemt hij zijn groot verguld
agendaboek, dat samen met zijn contactenboek in een lederen etui
naast een aangepast oud draaischijftelefoontoestel ligt, om deze
afspraak over te schrijven. Zo zal hij het nooit vergeten.
Zijn ochtendritueel begint zo naast zijn telefoon. Hij komt uit bed.
Stapt, soms wankelt als gevolg van de vorige nacht, naar zijn
geheugenboek en ontdekt hoe hij zich die dag moet kleden. Wanneer er
geen vermelding staat, durft hij wel te vergeten dat hij nog geen
kleren aanheeft, terwijl hij de gordijn opentrekt om een
weersvoorspelling te doen. Bij goed weer opent hij het raam om zijn
lichaam van de ochtendzon te laten genieten. Vergenoegd slentert hij
naar de keuken. Neemt koffiebonen uit de blikken doos, versierd met
een goedlachse blonde dame met rood hoedje die een doos cichorei
vasthoudt. Allemaal in door ouderdom gebleekte kleuren. Drie scheppen
bonen doet hij in een houten koffiemolen. Vijfendertig, welgeteld,
vijfendertig toeren draait hij dan aan de hendel. Zo bekomt hij zijn
best gemalen koffie die hij in de nylonfilter stort. Die nylonfilter
past perfect in de hoge blikken koffiepot die hij jaren geleden in
een tweedehandswinkel vond.
Een herinnering aan de momenten dat hij bij zijn grootouders op de
boerderij op vakantie mocht. Dergelijke koffiepot stond altijd op de
Leuvense stoof. In de zomer was de koffie uiteraard snel lauw tot
koud. Dat weerhield niemand er van een mok te nemen en de dorst te
lessen met dit vocht. Bompa was niet altijd zo hoffelijk een mok te
nemen. Wanneer hij van het veld kwam, schopte hij in de achterkeuken
zijn blokken uit en liep direct naar de stoof. Hij greep de kan met
zijn vuile handen vast, bracht de teut aan zijn mond en met een
klokkend slikgeluid goot hij de koffie naar binnen. Warm of koud
maakte voor hem geen verschil.
Bij koud weer legde hij ook zijn handen op de hete plaat om op te
warmen. Als kleine jongen had Thomas zich daar nooit vragen bij
gesteld. Tot hij het goede voorbeeld wilde volgen. Met verschroeide
handen liep hij blèrend naar zijn bomma. Verschrikt zag zij deze
ravage aan.
‘Maar manneke toch, dat mag je niet doen. Bompa heeft veel sterkere
en dikkere handen dan jij. Wat denk je, hij zit alle dagen met zijn
handen in het veld te ploeteren. Dat doe jij niet, hé;! Hij voelt
dat niet wanneer hij van buiten komt. Dan heeft hij erge kou en dat
warmt goed op, hé, die stoof. Maar jongen toch, ik zal daar
bommazalf op doen. Dan zal het wel gaan zeker. Maar niet meer doen,
hé!’
Bij heel die uitleg en de zachtheid waarmee zij hem ondertussen tegen
haar schoot had gehouden, was Thomas vergeten verder te wenen. Snel
ging hij terug met zijn blokken spelen. Toch kon ij ze niet meer met
volle hand vastnemen. Tranen schoten in zijn ogen. Hij keek naar zijn
bomma en als brave jongen klemde hij zijn tanden op elkaar om het
snikken tegen te houden.
In de rechtse schuif van de commode in de voorkamer vond bomma haar
wonderzalf. Ze knipte een stukje gaas die in vette groene smurrie
gedrenkt was, en legde deze op de beginnende baren in Thomas handen.
Snikkend verdroeg hij die koelte uit de blikken doos. Rond zijn
handen werden zakdoeken gebonden. Zo was hij genoodzaakt het spelen
een tijdje te staken.
Met een glimlach om zijn mond heeft Thomas dit tafereel in stille
film afgespeeld. Af en toe kwam een luchtstootje door zijn neus omdat
de lippen gesloten bleven.
Vandaag heeft de groep nog eens een wandeling van station naar
station gedaan. Zo eenvoudig wanneer je weet wanneer de trein
arriveert. Peter heeft dat allemaal op voorhand uitgekiend op zijn
computer thuis. Thomas hoort hem er graag over vertellen. De
moeilijkheden welke Peter soms ondervindt om de juiste informatie te
vinden zijn soms hallucinant. Alles wijzigt constant en hij is ook
niet meer van de jongste. Omdat hij zo zijn best doet mag hij zoveel
en zo lang uitleggen als hij wil. Thomas luister aandachtig maar kan
er zich geen voorstelling van maken hoe het allemaal in zijn werk
gaat. Natuurlijk heeft hij al een computer gezien. Hij heeft ook
gemerkt dat ze alsmaar kleiner worden. Met zijn werkmanshanden zal
hij nooit één toets apart kunnen aanraken. Als hij ze al weet te
vinden, zal hij best zijn pink gebruiken om niet alle omliggende
toetsen mee in beweging te brengen. Zo heeft hij steeds gedacht
wanneer hij in een winkel naar die uitvindingen staat te kijken. Wat
kan hij ermee beginnen? Het is toch veel mooier om met sierlijke
letters in een boek te schrijven! Dan slaag je het boek open en begin
je te lezen. Hoe moet dat met een computer? Die kan je toch niet
openvouwen? Dergelijke ideeën komen dan bij hem op. En ook nog: die
telefoons van tegenwoordig. Die lijken toch niet meer op een
telefoon. Je weet niet waar je moet beginnen te luisteren. En om te
spreken hebben ze ook geen duidelijke micro meer. Zit die er nog wel
ergens in? Hoe moet je die telefoons trouwens vasthouden en een
nummer draaien? Op straat zie je veel mensen met die toestellen. Deze
hebben het apparaat op allemaal verschillende manieren vast. Zijn er
dan zo’n grote verschillen in? Moet je dan aan de verkoper telkens
vragen hoe dit toestel werkt?
Voor Thomas geniet een mooi bakelieten toestel de voorkeur. Die voel
je tenminste en je ziet ze altijd staan. Snel kwijtspelen hoort er
dan niet bij. En met de draaischijf heeft hij nog nooit last gehad.
Daar moet je geen hele vinger insteken. Met een tipje van eender
welke vinger krijg je die in beweging. En soepel dat die schijf
draait. Goh zeg, als je die toestelletjes nu ziet, sommige hebben wel
aparte nummertjes, maar daar zal hij er toch meerdere ineens bij
indrukken en zo bij de verkeerde correspondent terechtkomen. En klein
dat die dingen zijn. Mogelijk hebben ze daarom nu van die grotere
glazen bakjes gemaakt. Het lijken kleine TV toestellen wanneer je de
mensen ermee bezig ziet. Een foto trekken en direct zien of ze
fotogeniek genoeg overkomen. Of zien dat het eten dat ze getrokken
hebben, even mooi gepresenteerd op de fot staat dan het op het bord
ligt. Langs alle kanten wordt dat dan vergeleken en eventueel nog
enkele keren vastgelegd. Naar het schijnt versturen ze dat ook ineens
naar vrienden.
Thomas kan helemaal niet begrijpen hoe dat kan. Een stem door een
draad is al zoiets wonderlijk. Nu heeft de lucht blijkbaar die
koperen draad vervangen. En het is niet alleen maar de stem die
verzonden of ontvangen wordt. Neen, nu vliegen die foto’s mee
razendsnel door de lucht. Vreemd dat je daar niets van merkt.
Veroorzaakt dat geen botsingen in de lucht? Hebben ze in het
onzichtbare ook voorrangsregels en zo? Anders loopt dat toch helemaal
spaak! Zoals in het verkeer als ze de reglementen niet meer kennen.
Snel, snel nog door het oranje rijden om op een kruispunt te gaan
staan waar geen beweging meer in te krijgen is. Thomas ziet dat graag
gebeuren wanneer hij met zijn fiets is. Op zulke momenten is de weg
voor hem veilig, zegt hij dan. De auto’s geraken niet meer vooruit
noch achteruit. En hij slalomt naar zijn bestemming. Natuurlijk zijn
er altijd zotten die bij na bumper tegen bumper staan. Daar is dan
alleen een blad, in het beste geval een boek, tussen te krijgen. Maar
zelfs het dikste boek haalt niet de breedte van een fiets. Nog erger
natuurlijk als het groen springt aan de andere weg en de chauffeurs
daar ook niets van het reglement kennen en zichzelf, en ook dikwijls
voetgangers en fietsers, klem rijden. Zulke centimeter asfalt moet
met blik gevuld worden. Op die momenten breekt Thomas’ klomp. Hij
zou zijn kracht willen meten met de staalplaat van de koffers. Beter
nog het dak van die fout gestalde auto’s. Kan een mooi roffelgeluid
geven. De basdreun bij de fanfare op een alternatief slaginstrument.
Zo gek is Thomas wel niet. Discussies met gestresseerde
automobilisten gaat hij wel aan. Soms stelt hij voor om van voertuig
te wisselen. Hij heeft toch tijd. En dan geraken de mensen misschien
nog tijdig ter bestemming. Zo dom is hij wel niet, bedenkt hij zich
snel. Wat zou hij met zo’n metalen kist kunnen doen? Dikwijls
hebben die wel een betere muziekinstallatie dan de zijne thuis. Een
dure kist aankopen om muziek te beluisteren is wel niet aan Tomas
besteed.
Hij heeft een gaatje gevonden op weer zo’n druk bezet metalen
plein. Met genoegen zet hij een neus naar de zich ergerende enkeling
achter het stuur. Schaterend rijdt hij naar zijn tijdelijk werk. Voor
hem is dat het leven. Weinig verbintenis met collega’s en
regelmatig verandering. Ervaring heeft hij zo op veel gebied en
flexibiliteit straat van hem af. Ook nu hij in een magazijn waar
containers worden volgestouwd. De vaste werkers laten wat graag
klusjes die meer inspanningen vereisen aan de tijdelijken. Alle
verontschuldigingen komen naar boven. ‘Door lang hetzelfde werk te
doen, een slechte rug gekregen. Vandaag voel ik me toch niet zo goed.
Je moet onderaan beginnen in elke job, hé. Die job kan ik niet meer,
ik ben al wel wat versleten hé.’ Voor Thomas hoeft die
schijnheiligheid niet. Klauteren en hoog bovenaan net dat gaatje
gevuld krijgen, daar voelt hij zich zeer prettig bij.
‘Hé, jongens. Zie eens wat die allemaal doet en kan. Gaan we bij
de baas niet pleiten om die een vast contract te geven? Nog nooit zo
een goede interim gehad.’
Thomas hoort dat met een lachje aan. Vanavond naar kantoor bellen
voor een andere job, denkt hij dan. Ze willen hier een beetje teveel
van mij profiteren.