Klavertje, een stevige jongen en zijn pienter zusje Strohalmpje mogen
vandaag samen in het bos gaan wandelen. De twee kinderen zijn even
oud. Ze zijn op dezelfde dag geboren als broer en zus. Ze zijn zowat
onafscheidelijk. Tot nu hebben ze altijd naast elkaar mogen zitten in
de klas. Dat vinden ze zeer prettig. Tijdens de speeltijd speelt hij
wel liever met de jongens, zij vinden meisjes soms te flauw. En zij
speelt liever met de meisjes, zij vinden de jongens soms te bruut.
Wanneer de speeltijd gedaan is en wanneer ze naar huis mogen, blijven
ze wel heel graag samen.
Deze woensdagmiddag mogen ze voor de eerste keer alleen naar oma en
opa, die aan de andere kant van het bos wonen. Samen met hun papa en
mama zijn ze er al veel geweest. Omdat het niet echt ver is, en het
bos zo mooi is om wandelen, gaan ze meestal deze zelfde weg.
Omdat ze lief en dapper zijn geweest vandaag, mogen ze van mama er
samen op uit. Wanneer ze dan vanavond terug zijn, zal mama iets
lekkers voor hen maken. Met verlangen kijken ze uit naar de
pannenkoeken die mama zal bakken. Dat is hun lievelingseten, daarom
weten ze dat mama dit voor hen gaat klaarmaken. Voor Klavertje zal
mama zijn geliefkoosde confituur van blauwe bessen klaarzetten. En
voor Strohalmpje zal dat een banaan met bruine suiker zijn. Hun
vermoeden vertellen ze elkaar graag terwijl ze met dromende ogen
verder stappen.
De vele keren dat ze met mama en papa deze weg liepen, hebben ze
altijd goed opgelet. Bomen en planten staan er heel veel in het mooie
bos en ze wilden het verschil leren kennen. Daar had papa iets op
gevonden. Hij nam altijd een boek over bomen en planten mee. Daar
staan mooie prenten in. Elke wandeling stopte hij bij een andere boom
en las voor wat het boek over die boom te vertellen heeft. En dat was
heel veel. Veel te veel om dat allemaal ineens voor te lezen, en dan
nog te onthouden ook. Papa moest toegeven dat ook hij daar problemen
mee had. Daarom vertelde hij de tweede keer bij eenzelfde boom niet
alles meer. Eerst vroeg hij hen of ze iets hadden onthouden.
Natuurlijk was dat niet zo. Papa werd daar niet boos voor, hij keek
niet zo sip als de leerkracht in de school wanneer ze een antwoord
niet wisten. Papa was zo eerlijk om de test voor zichzelf te doen.
Hij dacht na wat hij nog wist, zei dat eerst en ging dan toch in het
boek kijken of het wel juist was. Niet altijd was dat zo.
Klavertje en Strohalmpje lachten dan wel eens, maar ze wisten dat het
langer zou duren vooraleer zij alles zouden onthouden.
Na de test las papa het eerste feit dat in het boek stond. Wanneer
het over de schors van de boom ging, streelden ze die met drie om te
voelen hoe puntig, vlak, grof of generfd ze was. Ook mama deed af en
toe mee en stelde dan ook vragen als: ‘Hoe kan ik nu weten dat dit
een grove schors is, of dat het de vele nerven zijn die ik nu voel?’
Dan trokken ze samen op onderzoek door te voelen, te ruiken, dingen
die ze dachten te zien te benoemen en samen kwamen ze tot een besluit
en werden wijzer. Zo onthielden ze natuurlijk ook makkelijker welke
eigenschap die boom had. De volgende keer was het niet alleen het
kenmerk dat ze wisten, ook dikwijls wat en wie er iets speciaal over
verteld had. Zo hadden ze die termen beter begrepen.
Wanneer een blad werd beschreven moest papa altijd proberen twee van
de laagst hangende takken te halen. Natuurlijk ging dit niet bij de
grote bomen. Dan gingen ze onder de boom op zoek naar het meest
volmaakte blad. Ook die werden dan bekeken, bevoeld en ook
meegenomen. Een hele verzameling ervan hadden ze elk in een plakboek.
Strohalmpje had daar steeds de bijzonderheden bij geschreven. Om het
juist te hebben, schreef ze alles over uit het boek van papa.
Klavertje vond dat flauw. Hij schreef hooguit de naam van de boom bij
het blad. Je ziet toch hoe het blad eruit ziet, vond hij. Strohalmpje
liet hem in zijn koppigheid. Zij wist de kleur nog van het blad want
ze had het opgeschreven. In het boek van Klavertje zaten alleen
bruingedroogde bladeren waar hij niet meer van wist of die groen
waren geweest of die niet iets geler of roder van kleur waren wanneer
ze nog aan de boom hingen. Koppig als hij is, vroeg hij nooit of
Strohalmpje het niet wilde vertellen. Hij zou de volgende keer bij
het blad goed naar de kleur kijken, dan zou hij het wel onthouden.
Het ging natuurlijk niet alleen over de kleur van het blad. Hoe groot
het kon worden, zagen zij aan hun exemplaar. En welke vorm het had,
konden ze meestal ook nog wel zien. Toch was dat niet altijd meer zo
bij een uitgedroogd blad. Ook daar had Strohalmpje de oplossing voor.
Zij was met een groene, iets dikkere stift, rond het blad gelopen en
had de vorm hierdoor echt vastgelegd. Wanneer het blad niet echt
groen was had ze in de voorraad stiften die ze ook voor de school
gebruikten, de kleur die het dichtstbij was, gezocht en had daarmee
de omtrek getekend.
Wanneer Klavertje haar zo bezig zag, schudde hij zijn hoofd. Zijn zus
was altijd zeer geconcentreerd bezig, de tong dikwijls tussen de
lippen. Zijn gedachten zaten al bij het spel dat hij wilde spelen.
Verstrooid antwoordde zij wel, terwijl ze verder bleef werken om de
informatie zo volledig mogelijk over te schrijven en het blad te
tekenen. Tot ergernis van Klavertje, die het allemaal overdreven vond
en wou beginnen spelen, kon zij tot een half uur bezig zijn. Dan werd
hij boos en begon allerlei verwijten naar haar te roepen. Strohalmpje
trok haar schouders op en werkte aandachtig verder. ‘s Avonds kon
ze haar nieuwe pagina’s aan papa tonen. Die was dan heel fier maar
wist wel dat hij haar niet extra in de bloemetjes mocht zetten.
Klavertje zou dat uiterst kwalijk nemen en zich enkele dagen zo
koppig en vervelend gedragen dat het plezier uit heel het huis zou
verdwijnen. Daarom gaf hij Strohalmpje alleen maar een verdoken
knipoog. Zij was daar zeer tevreden mee en wist zeer goed dat het
meer betekende dan het leek.
Klavertje had dit gezien, op school gaf hij haar de volgende dag ook
een knipoog. Gelukkig dat ze broer en zus zijn, de leraar had even
geglimlacht en verder niet gereageerd.
Nu liepen ze samen in het bos op weg naar opa en oma. Het was de
allereerste keer dat zij deze weg alleen aflegden. Wolven waren er
niet, dat wisten ze. Als er toch één zou opdagen zouden ze aan zijn
staart en oren trekken. Dat hadden ze afgesproken. Wanneer ze dan
voldoende hard trokken, zou de bedrieger wel tevoorschijn komen. Dan
konden ze hard lachen. Dat hadden ze ook gedaan toen ze die afspraak
maakten. Klavertje zou aan het dak van het huis gaan voelen of het
van peperkoek was. Ze kregen bijna buikkrampen van het lachen.
Welgemutst waren ze vertrokken.
Aan
de eerste boom die ze zich herinnerde, bleef Strohalmpje staan.
‘Wat
zou papa nu te verklaren hebben over deze boom? Is dit geen tamme
kastanje? Ik herinner mij dat je dat kan zien aan die lange bladeren
met puntige uitsteeksels aan de nerven. Was dat niet zo, Klavertje?’
Het
is toch niet makkelijk zoveel te onthouden. Ook op de school krijgen
ze elke dag weer wat nieuws te horen, soms heel veel zelfs. Papa
heeft hen wel gezegd dat zijn vertellingen hen wel van pas zullen
komen wanneer de natuurlessen hierover zullen gaan.
‘Ja,
ik weet dat nog goed. Zeker omdat we hier met papa en mama kastanjes
konden rapen. Weet je nog dat we er warme konden eten bij die man met
zijn zinken schotel?’
‘Dat
was lekker. Maar de puree die mama met onze oogst gemaakt heeft, was
ook heel lekker. Mmm, gaan we wat kastanjes rapen? Dan maken opa en
oma daar misschien ook iets lekker mee.’
‘Zotteke,
zie je er nu liggen? Dat is niet het hele jaar dat je die kan rapen,
dat heeft pap toen ook gezegd. En daarbij, we mogen onderweg voor
niets of niemand stoppen. We moeten zo snel mogelijk doorgaan, dat
heeft mama heel duidelijk bevolen.’
‘Ja
ja, ik weet het. Toch zouden ze dat leuk vinden, denk ik.’
‘Ach
kom, er valt toch niets te rapen. En we gaan niet meer aan een boom
vertellen wat we erover weten!’
Samen
huppelden ze nu in de grote laan. Tijd om rond te kijken gunden ze
zich niet meer, tot …
Niet ver weg van de laan waren vreemde bewegingen achter een grote
boom. Ze konden niet goed zien wat er was. Zo te zien waren het vier
figuren, meer konden ze nu nog niet zien.
‘Wat
doen die nu?’ Strohalmpje was perplex blijven stilstaan. Af en toe
schudde ze haar hoofd terwijl ze zich kleiner maakte. Tussen haar
wimpers door hield ze de bezigheden in het oog. ‘Als ze mijn ogen
niet kunnen zien, weten ze niet dat ik al hun bewegingen volg.’
fluistert ze.
Klavertje
had de opgewonden vraag van haar wel gehoord maar niet goed verstaan.
Ook haar laatste verzuchting was niet tot hem doorgedrongen. Toen hij
merkte dat ze achterbleef, volgde hij haar blik. Ook hij schudde zijn
hoofd. Samen tuurden ze naar de vreemde bewegingen van dat viertal.
Ze keken elkaar licht verbaasd aan.
Strohalmpje
herhaalde met een zucht: ‘Wat doen die nu?’
Klavertje
bleef sprakeloos turen.
Met
de neus bijna in de grond leken een man en drie kinderen als
sprinkhanen te bewegen en zo rondom te speuren. Met de neuzen
dichtbij de grond leken ze bladeren voorzichtig opzij te schuiven.
‘Die
mensen doen raar, wat zouden die daar zoeken? Hebben ze zelf iets
verloren of zo?’
‘We
moeten voortmaken, we mogen ons niet laten afleiden. Dat zei mama,
dus we maken voort.’
‘Dan
zullen we dat aan papa moeten vragen wanneer we hier de volgende keer
voorbij komen. Kom we spoeden ons verder. Oma mag niet ongerust
zijn.’