Het mooie weer maakte het bos
en de dieren dolblij. De lente was struikelend begonnen, het was lang
koud gebleven. De sneeuw was in het begin van het seizoen nog voor
een paar dagen blijven liggen, waarna regen het pleit had gewonnen.
Het bos was druiperig. Overal lag een laag water welke niet door de
bodem kon worden opgezogen. Op zoek naar voedsel moesten de dieren zo
altijd door dit nat ploeteren . Soms zakten ze diep in de doorweekte
grond en moesten ze zwoegen om vooruit te komen.
Vogels bleven ook op hun
honger zitten, de geliefde insecten vonden het te koud om zich uit de
winterslaap te bevrijden. Wanneer ze ontwaakten vonden ook zij weinig
voedsel in de verzopen bodem. Met het mooie weer fleurden bomen en
dieren op. Het water werd warmer en en de grond probeerde sneller te
drinken. Af en toe verschenen daardoor luchtbellen alsof de bodem een
boertje liet. Zo zag je dan een spiraaltje in het water doordat een
gaatje ondergronds gevuld werd.
Roeken zaten in een paar bomen
te converseren, oorverdovend door het grote aantal. Hoe konden ze
elkaar begrijpen in dat hels kabaal? Of begrepen ze de vreugde van
iedereen en wilden ze dit om ter luidst meedelen.
Een wolf zat op een droog
plekje achter een dikke beuk. Ondertussen begluurde hij een lekkere
prooi die hij verderop achter struiken kon waarnemen.
Een pasgeboren reetje lag op
een verhoogd grasveldje. Het was net groot genoeg om nog even te
blijven liggen en na te genieten van het droog likken van haar
moeder. Zo had zij gezorgd dat haar dochtertje vrij droog lag op het
beschermde plekje. Het reetje strekte de pootjes en bewoog ze
zachtjes over de grond terwijl ze nog bleef liggen.
Terwijl de wolf begerig bleef
kijken, kwam het reetje stuntelig recht en probeerde het evenwicht al
staande te bewaren. Ze strekte één voor één de pootjes, zoals
atleten, vooraleer een sprintje te plaatsen. Daar was ze blijkbaar
nog niet aan toe. Moeder ree bleef haar bemoedigend aankijken,
terwijl de wolf zich met, de klauwen vooruit, uitstrekte om een
snelle loop te kunnen starten.
De moeder aaide de pasgeborene
met het hoofd in de nek van haar dochter. Ze deed twee stappen
voorwaarts om een voorbeeld te geven. Een takje dat krakte ontging
haar niet, ze keek om naar de kleine, haar lippen trilden. Dit gebaar
begreep het deerntje, ze begon onmiddellijk aan haar eerste sprint
aan de zijde van haar moeder.
Woest stampte de wolf op de
tak die hem had verraden.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten