Lantaarnpaal
dronken loop ik over de straat
raak
elke lantaarnpaal met mijn volle hand
klop
om te horen of het licht thuis is
of
de paal nog steeds bewoond is
door
het lichtgevend straaltje
dat
boven altijd schijnt
wanneer
het donker wordt
en
de avond over de straat valt
wanneer
eenzame schooiers
de
straten bevolken
op
zoek
naar
liefde of geborgenheid
met
een sprankeltje hoop
op
een verwarmend gesprek
anders
dan dat van gisteren
toen
het weer niets werd
en
het eeuwige geleuter
dronken
eindigde
en
de dag daarvoor
en
daarvoor
en
daarvoor
hopen
doe ik
dat
het lichtje naar beneden komt
over
mij daalt en
mij
beminnelijk in de armen neemt
zodat
ik goedgemutst
zal
kunnen meepraten
over
de
blijde gebeurtenissen van samen
met
vrienden en vriendinnen
in
goed humeur
te
praten en te kletsen
over
te
gekke dingen die niet mogen vernoemd worden
die
te
onnozel zijn om over te praten
maar
waar ik zo een warm gevoel van krijg
dat
ik gelukkig ben
mee
te kunnen praten
met
de grootste onzin
in
de ergste waanzinnige bui
die
ik niet heb voelen aankomen
die
me in een flits overkomen is
en
waardoor ik nu
loop
te praten tegen
een
lantaarnpaal hier zo
midden
op de weg
omdat
die daar nu toevallig staat
en
ik daar zo toevallig
met
mijn hand heb op geklopt
en
waar zomaar
een
lichtje naar beneden is gekomen
en
mij gekitteld heeft
met
een gevoel
van
warm genot en
'k
heb je graag
verdomd
ik vind je tof
en
geef mij nog zo eens
een
schouderklop
en
een lichte aai
dat
heb ik graag