25 juli 2025

muis

Piep, de lieftallige muis is blij dat de kinderen weer veel kaas op de tafel lieten liggen. Die lekkere gele kaas ruikt echt zoet. Dat heeft ze heel graag.
    Wanneer iedereen de tafel verlaten heeft, kan ze lekkere stukjes op de grond vinden. Er wordt veel gemorst en soms gooien kleine mensjes lekkere stukjes bruusk op de grond. Zo heeft Piep altijd wel voldoende te eten.
    Lusten de kindertjes die kaas niet graag? Dat heeft ze zich al dikwijls afgevraagd. Als je iets heel erg graag mag, dan gooi je dat toch niet op de grond. Natuurlijk is Piep zeer blij dat ze vandaag veel keuze heeft. Er ligt ook van die witte, pappige kaas. Die lust zij niet. Ze loopt er met een toegeknepen neus langs.
    Lang geleden besloot ze de grote mensen te helpen de grond kaasvrij te maken. Wanneer die witte brij echter gemorst is, raakt ze die niet aan. Ze wil de mensen wel helpen, maar alleen met kaas die ze lekker vindt. Waarom zou ze kaas opruimen die ze niet lust? Zo kunnen de mensen zien hoe vuil ze de tafel hebben verlaten.
    Die lichtgele kaas waar grote gaten in zitten, vindt ze wel niet zoet genoeg. Toch zal ze die niet laten liggen. Ze vindt het prettig in zo’n gat te springen en dat al knabbelend groter te maken tot het volgende gaatje, en dan nog verder tot het volgende gaatje en …
    De taaie zijkant laat ze zeer bewust liggen. Ze herinnert zich dat ze eenmaal het korstje heeft opgegeten en erge maagpijn kreeg. Een muis leert snel. Ze wil met een goed gevoel in haar huisje kunnen kruipen.
    Lekker en zoet, daar kan ze niet afblijven. Die platte witte laat ze liever liggen, behalve wanneer de honger te groot is. En van die taaie zijkant weet ze nu dat het geen kaas is en dat die ook zeer slecht is voor haar maag.

Wanneer de kinderen en de mensen weg zijn, heeft ze ruim de tijd om haar neus te volgen naar de lekkerste stukken. Soms vindt ze overdreven grote porties. Ze knabbelt die dan in lange stukken en sleept deze naar haar holletje. Wanneer er bij de mensen geen eten te vinden is, heeft ze zo toch voorraad.

e lang opzij houden mag ze ook niet doen. Dat heeft ze geleerd die keer dat er vieze grijze en zwarte vlekken verschenen op haar proviand. Toen ze een licht muizenhapje probeerde, geraakten haar tanden nauwelijks door dat stuk. Het leek bijna een houten lat waar ze anders graag haar tandjes op slijpt. Dit lukte niet bij de oude kaas. De smaak was ook zo walgelijk dat haar maag de toegang had geweigerd en met een oprisping die viezigheid door haar keel terug buiten had geworpen. En de muis is snel geleerd.
    Ze wil haar huisje proper houden en om die grote bedorven portie uit haar holletje te krijgen, had ze heel hard moeten sleuren. Wanneer ze daaraan denkt, moet ze bijna terug braken.
    Geef haar maar die lieve kindjes die voor lekkere verse stukjes zorgen.

26 juni 2025

lente

zwaluwen dartelen in de lucht
de koekoek roept zijn territorium uit
vogels beginnen aan hun nest
waar de mensen uit verdwijnen

zoeken naar plezier en vertier
luchtig gekleed op terras of plein
lachend op ideeën komen
denken aan hun grote trek

als de zon ondergaat en de dag verstilt
blijven met dromen ideeën opkomen
in gedachten worden koffers gepakt
vooraleer de zwoele nacht begint

22 april 2025

ik

nu durf ik te slapen
ik weet dat ik er ben

nu durf ik te dromen
bedenken wie ik ben

nu durf ik te waken
over het leven dat ik heb

daarbij durf ik dromen
over het leven dat ik krijg

nu durf ik te zeggen
wat ik te zeggen heb

en durf ik beweren
dat ik de oplossing weet

durf het mij niet te vragen
ik zal het jou niet zeggen

wanneer je het durft vragen
zal ik zeggen dat ik het ook niet weet

23 december 2024

lente in het bos

Het mooie weer maakte het bos en de dieren dolblij. De lente was struikelend begonnen, het was lang koud gebleven. De sneeuw was in het begin van het seizoen nog voor een paar dagen blijven liggen, waarna regen het pleit had gewonnen. Het bos was druiperig, grote plassen konden niet door de bodem worden opgezogen. Op zoek naar voedsel moesten de dieren zo altijd door dit nat ploeteren . Soms zakten ze diep in de doorweekte grond en moesten ze zwoegen om vooruit te komen.
    Vogels bleven ook op hun honger zitten, de geliefde insecten vonden het te koud om zich uit hun winterslaap te bevrijden. Wanneer ze ontwaakten vonden ook zij weinig voedsel in de verzopen bodem. Met het mooie weer nu fleurden bomen en dieren eindelijk op. Het water werd warmer en en de grond probeerde sneller te drinken. Af en toe verschenen daardoor luchtbellen alsof de bodem een boertje liet. Zo maakte het een spiraaltje in het water doordat een gaatje ondergronds gevuld werd.
    Roeken zaten in een paar bomen te converseren, oorverdovend door het grote aantal. Hoe konden ze elkaar begrijpen in dat hels kabaal? Of begrepen ze de vreugde van iedereen en wilden ze dit om ter luidst meedelen.

Een wolf zat op een droog plekje achter een dikke beuk een lekkere prooi te begluren die hij verderop achter struiken kon waarnemen.
    Een pasgeboren reetje lag op een verhoogd grasveldje. Haar moeder had haar net droog gelikt en met dit gevoel bleef ze nog graag liggen op het bijna droge gras. Het reetje strekte de pootjes en bewoog ze zachtjes over de grond terwijl ze nog bleef liggen.
    Maar pasgeboren reetjes willen al snel ontdekken. Terwijl de wolf begerig bleef kijken, kwam het reetje stuntelig recht en probeerde het evenwicht al staande te bewaren. Ze strekte één voor één de pootjes, zoals atleten, vooraleer een sprintje te plaatsen. Daar was ze blijkbaar nog niet aan toe. Moeder ree bleef haar bemoedigend aankijken, terwijl de wolf zich met, de klauwen vooruit, uitstrekte om een snelle loop te kunnen starten.
    De moeder aaide de pasgeborene met het hoofd in de nek van haar dochter. Ze deed twee stappen voorwaarts om een voorbeeld te geven. Een takje dat krakte ontging haar niet, ze keek om naar de kleine, haar lippen trilden. Dit gebaar begreep het deerntje, ze begon onmiddellijk aan haar eerste sprint aan de zijde van haar moeder.
    Woest stampte de wolf op de tak die hem had verraden.

26 oktober 2024

Krol en Kwispel

Er was een tijd dat de mensen de taal van de dieren nog begrepen. Wanneer een poes niet vriendelijk was tegen een hond, dan kon een persoon horen waarom deze lieve diertjes toch zo onhebbelijk waren tegen elkaar.
    Nu denken wij dat kat en hond een andere taal spreken en ze elkaar niets kunnen uitleggen. Niets is minder waar; de poes die haar rug krolt en precies aan het blazen is? Haar tanden aan de hond laat zien? Zegt eigenlijk zeer vieze woordjes tegen dat lieve beest.
    In die lang vervlogen tijd durfde de mens die erbij stond, luisteren en vragen om op een beleefde manier uit te leggen wat het probleem was voor de poes. Wanneer hij haar troostte en daarbij lieftallig aaide, zachtjes sprak en op geduldige wijze verder bleef horen naar de poes en het antwoord van de hond, en af en toe een vraag stelde, werden de diertjes meestal dikke vrienden.

De poes strekte haar nagels graag uit, en plantte die dan in de grond om zich zeer stevig en machtig te voelen. Voor het hondje kwam dit zeer bedreigend over. Die zakte dan door de voorpoten om met de staart tussen de achterpoten op de grond te liggen. Gespannen wachtte hij de reactie van de poes af.

Door de troostvolle woorden van het mensje kwamen beide tijdelijk tot rust. Zo kon de poes haar boosheid verklaren. De hond keek verwonderd, besefte dat hij fout had gedaan. Hij had toch niet geblaft! Hij was toch niet dreigend rond de poes beginnen kruipen! Waarom was dat poesje dan boos? Hij begreep het niet.

Het menskind dat er eerst bij was, wist niet goed wat ze zou zeggen. Gelukkig kwam haar mama eraan. Zoals naar haar eigen kinderen, keek zij naar de dreigende poes en de bange hond. Zo bleef ze een tijd doordringend kijken tot de aandacht van poesje en hondje naar haar bewegingen ging. Mama nam haar dochter in de arm, troostte haar omdat zij het niet begreep. Nu vroeg ze aan de poes, zoals haar dochtertje ook gedaan had, wat de reden van de boosheid van het poesje was. De poes keek verwonderd naar de mama omdat die niet boos werd. Ze begon kopjes te geven aan het kind.
    Maar nee poesje, nu ben je lief. Maar waarom was je boos op het hondje?’   
     Miauw’, zei de poes op een klaaglijke manier, ‘miauw, ik weet het niet meer!’
    Ach’, zei het hondje, ‘ik denk dat het is omdat we regelmatig onze agressie kwijt moeten. En wie is daarvoor het beste slachtoffer?’
    Mama en Liesje keken verwachtingsvol naar Krol de poes. Die bleef met haar kopje tegen het been van mama schuren, terwijl ze haar staart langzaam heen en weer bewoog.
    Kwispel, de hond, zette zich afwachtend op zijn poep. Natuurlijk wilde ook hij weten of de poes echt boos was geweest.
    De drie paar ogen bleven nu rustig kijken naar Krol, die zich krampachtig tegen het been bewoog. Lang mocht mama dit niet laten duren, de beestjes zouden niet meer tegen elkaar durven spreken als ze geen oplossing bood.
    Is het niet dat je eigenlijk niet boos was, maar niet wist hoe je Kwispel moest vragen om te spelen?’ vroeg ze aan Krol, de poes.
    Likkebaardend knikte deze. Met gestrekte pootjes ging ze naar het hondje en aaide hem met haar hoofdje.