16 oktober 2018

gedicht

 

Gedichten dienen geschreven

En soms doet de vorm er toe

Veel werk om dit te construeren

Maar dat geeft goede dichters moed



Uit de pen vloeit die eerste regel

Die aanzet tot een volgende

Soms contrasterend

En mogelijk in rijm



’t zijn allemaal voorbeelden

Van hoe je het goed doet

Maar wat zal dat de lezer deren

het kwatrijn vormde hier een gedicht

13 oktober 2018

Brasschaatse zwerver

 

Buiten loopt hij als een doler

Trekker met oog voor rood-wit

Als een clochard doorkruist hij het land

Kilometers met verlopen schooiersschoeisel

Niet als kalis, tramp of bohemien



Sinds kort bewust dakloze zonder bus

Als nomade er alleen op uit

Kluitenduiker wanneer nodig

Die gasser staat er wel elke maand

als een artiest met een mooie route



Duvelse zwerver

22 september 2018

kindertijd

 

tikkertjetik op het raam

regendruppels nemen me mee naar vroeger

het spelletje waar tikken mocht

als je niet kon vluchten en op een hoogte staan


kinderen werden betrokken, willen of niet

en daagden hun ouders uit om mee te doen

zodat een grote groep mensen

gezond plezier beleefden


ravotten tot soms letterlijk

de stukken eraf vlogen

zonder dat iemand kwaad werd

want er werd steeds gelachen en gedold

plezier voor meer

voor elk van degene die speelde


en zelfs aan de zijkant bleef de pret niet uit

tot zelfs de alleroudsten graag liepen

en zich lieten pakken door de allerkleinsten

met groot gejoel en veel getier

kon de middag niet meer stuk

en was er een vrolijk kinderlijk plezier

10 april 2018

ik hou van jou

 

Nog nooit voelde ik zoveel hinder


om te zeggen: “Ik hou van jou”.


Dit klinkt vreemd, je zou voor minder


denken van:“Ik ben hem toch trouw”.


Toch verwondert het mij elke keer


hoeveel je bij vrienden blijft logeren.


Met mijn jaloerse kop denk ik aan meer


stoute dingen met die heren.



Alle gekheid op een stokje,


zeggen en denken zijn niet altijd één.


Verlies je niet in malle gedachten,


we blijven toch bijeen.


Kom eindelijk uit je hokje,


ik zal die onzin versmachten.

21 maart 2018

Flashback

Theo en Thea zitten tevreden naast elkaar in de trein het voortvliegende landschap te bewonderen. Het is heel anders dan in een bus zitten, wat ze de laatste jaren met georganiseerde uitstappen van de seniorenvereniging gewoon zijn te doen. Nu is het maar af en toe dat er auto’s en huizen te zien zijn. Het groen, dat toch overheerst langs deze wegen, geeft hen een warm gevoel.
    Lang geleden dat ze de trein namen, en dan nog voor een lange afstand. Ze zijn door Els, hun jongste kleindochter uitgenodigd om een paar dagen in een gehuurde chalet in de Ardennen te verblijven. Ze vermoeden dat Els een prettige verrassing zal hebben, waarvoor ze hen dit pleziertje wil doen. Zeker omdat Matthias, haar vriend, er zal zijn. Van opwinding moet Thea naar het toilet. Niet dat ze het prettig vindt, zegt ze tegen Theo, maar de uitrusting is veel beter dan vroeger, heeft ze zich laten vertellen. Het moment is blijkbaar niet goed gekozen, ze is net verdwenen en de trein stopt in een station. Nu Theo even alleen zit, en de trein stilstaat, gaat hij even rechtstaan om zijn rug te strekken. Daar is Thea al terug. Maar wat is dat nu? De trein krijgt een schok en met haar oude benen kan Thea zich niet staande houden. Gelukkig valt ze tegen Theo, die haar stevig vastgrijpt.
    “Mmm, wat ruik je lekker, dat lijkt op die goede oude 4711.”
    “Ja”, giechelt Thea: “Ik wilde je verrassen. Weet je nog hoe wij elkaar ontmoetten?”
    Ondertussen zijn ze terug gaan zitten, als een jong koppel met de handen in elkaar geslagen en dicht tegeneen geschoven. Theo heeft, zoals een verliefde jongen, twinkelende ogen bij de herinnering.
    “Het kan geen toeval zijn. Jij bent toen ook in mijn armen gevallen door een grote schok van de trein. Treinen die gekoppeld worden of zo. Mogelijk was dat nu ook het geval. Maar toen was de klap wel veel harder. Meerdere mensen vielen bijna om. Ik had het geluk dat jij tegen mij viel. En het eerste wat ik merkte, was je prikkelende geur. God ja, je had je voet omgeslagen en we kregen onmiddellijk plaats op een bank. Er waren toen wel minder lege plekken dan nu, maar enkele bezorgde mensen stonden onmiddellijk op, zodat jij je schoen kon uitdoen.”
    “Ja, en jij was ook toen al zo hoffelijk mijn voet te masseren. Nu noemen we dat hoffelijk, toen was dat onbeschaamd. De mensen zullen wel geschokt gekeken hebben. Maar wij wisten van niets.”
    “Ik geraakte niet uitgekeken op jou, en je geur was zo heerlijk. Ik denk dat ik dat ook onmiddellijk gezegd heb.” Ja, jij kleine charmeur. Ik liet me volledig inpakken door jou.” “Ik vond het wel spijtig dat ik vroeger moest uitstappen dan jij.” “En daarom deed je het niet, charmeur. Je hebt me bijna thuis gebracht. Tot aan de deur durfde je wel niet.” “We beloofden dat we elkaar gingen terugzien, dat was voldoende.” “Nu moest ik niet meer vallen om in jouw armen te liggen. Onze relatie nam de gezapige snelheid van de trein over. Meer moest dat niet zijn, we waren gelukkig”.
    Met de handen in elkaar geslagen blijven ze gelukzalig tot aan de afstapplaats op die zachte bank zitten.
    “Hé Els, is dat nu Matthias? En met zo’n chique auto! Die kan er vaart achter zetten.”