brombeer
Wat
een brombeer. Telkens iemand uit de groep een voorstel doet, horen
wij hem op een grommende manier zijn tegenkanting kenbaar maken. Niet
dat we duidelijke woorden horen, zijn spraakorgaan blijft gesloten.
In het iets lager gelegen keelgedeelte lijkt steeds een opkomende
storm in aantocht. Wanneer het laag begint, is ook de toon laag. Hoe
hoger de klank vertrekt, hoe hoger de toon. De hoge tonen zijn
uitzonderlijk, en worden met pruttelende lippen, speekselbellen
spetterend, beëindigd. De lage tonen overheersen en blijven lang
nagalmen. Door de tegenstem moet telkens een nieuw idee gezocht
worden. Toch blijft de stemming lang uitbundig. Nieuwe voorstellen
borrelen regelmatig op. De meest spontane worden met gejuich
onthaald. Behalve door de brombeer. We horen alleen zijn speciale
manier van afkeuren. Naarmate de tijd vordert, komt zijn mening
steeds duidelijker tot uiting. Het gebrom wordt luider en luider. De
slag om frisse ideeën lijkt gestreden, alleen de voorsteller kan er
nog mee akkoord gaan. De groep kijkt elkaar beteuterd aan.
‘Zeg
Peter, heb jij geen idee? Alleen maar grollen helpt ons niet
vooruit.’ Met een snok komt Peter ’s hoofd omhoog. Met waterige
ogen kijkt hij rond. Bij elk gezicht houdt zijn blik halt. Dan knikt
hij even en draait hij naar een volgende kennismaking. Ook daar volgt
hetzelfde ritueel, fletse ogen blijven een tijd staren, de knik met
het hoofd, de speurtocht wordt verdergezet.
De
mondhoeken blijven naar beneden gericht en als een vis in troebel
water komt daar nog geen beweging in. Uit zijn buik vertrekt een
nieuwe luchtstoot langs de borrelende keel. Het geluid verplaatst
zich langzaam naar boven. In de mond eindigt deze met een bijna
knorrend geluid. Plots haalt hij snel een zakdoek tevoorschijn. Met
een vertrokken gezicht houdt hij deze een tijd voor zijn mond.
Met
een diepe zucht veegt hij laatste restanten weg en propt zijn gevulde
zakdoek weg. Wanneer het leed geleden lijkt, vouwt hij deze weer
open, inspecteert de groene slijminhoud met een gezicht alsof hij
terug gaat kokhalzen, klapt deze vieze brij nu samen en steekt die
veilig in zijn broekzak. Zijn handen wrijft hij over zijn broek,
bekijkt ze even, draait de handpalmen naar boven en herhaalt dit
ritueel. Na enkele droge oprispingen laat hij zijn handen rusten
tussen zijn benen.
Hij
richt zijn troebele blik naar boven: ‘Sorry, wat vroeg je?’