15 januari 2018
22 december 2017
Roger en Martine
Glunderend kijkt ze hem aan.
Vluchtig bladert hij door het boek vol mooie groenten en kruiden. Natuurlijk is hij verzot op het lekkere eten dat zij dagelijks maakt. Verwacht Martine nu van hem dat hij hier een evenbeeld gaat van produceren? Op TV lijkt dat allemaal wel heel mooi, maar ze kent hem toch al lang genoeg? Hoe is ze toch op dat idee gekomen. En hoe moet hij het allemaal in orde krijgen? Hun balkon lijkt helemaal niet op de foto’s. Overal staat wel een bloembak of een andere gevuld tuinartikel. Met een frons op zijn wenkbrauwen bekijkt hij zijn vrouw. Zij beweegt haar ogen van zijn gezicht naar zijn voeten. Rimpels verschijnen op zijn hoofd. Haar ogen gaan nog wat meer open terwijl ze deze naar beneden beweegt. Hij volgt haar blik en glimlachend bukt hij zich en begint het papier van de grote verpakking te halen. Waar hij net nog aan dacht, wordt inderdaad bewaarheid. Dit type bak werd twee weken geleden op dat quizprogramma getoond. De planken werden daar zonder hulp in elkaar geschoven en de groenten en kruiden waren op een paar minuten eetbaar. De dame die het won was verrukt en vertelde dat ze haar man hiermee wel aan het werk zou krijgen. Zij was ervan overtuigd dat hij de reclamespot kon evenaren. Is Martine dan ook ineens beginnen dromen over zijn kunnen? Met een wat teruggetrokken hoofd en opgetrokken wenkbrauwen kijkt hij haar aan, staart nog eens naar het pak met de losse planken, schudt zijn hoofd terwijl hij zuchtend opkijkt. Martine slaagt haar armen rond zijn hals en geeft hem een zoete zoen, zoals hij uit hun begindagen herinnert. Dat smaakt naar meer. Of het echter overtuigend genoeg is om hem als tovenaar aan het werk te krijgen, betwijfelt hij. Toch kijkt hij nu met glinsterende ogen naar de mooie prenten in het boek.
De eerste prikkel is gegeven, hij heeft zijn nieuwe hobby ontdekt. Voor zijn doen is hij zeer snel naar de winkel gegaan en heeft de eerste zaailingen geplant. Mogelijk wat onverhoeds. Martine is dat al gewoon geworden. Toch is ze er nu van verschoten hoe enthousiast hij zijn aanwinst heeft getoond en direct in de bak heeft geplant. Zou hij dan overtuigd zijn? Ze grinnikt als ze hem vraagt of een tweede vierkante metertuin niet leuk zou zijn. Dan kan hij zich ten volle uitleven.
‘Met de eerste experimenten heb ik al voldoende werk. Zelf ben ik eerst benieuwd of het wel zal lukken. Het lijkt allemaal wel zo eenvoudig, maar momenteel kan ik nog niet zien of er wel plantjes tevoorschijn zullen komen. Wil je me daarom de tijd gunnen om voor enkele verse versnaperingen te zorgen. Dat is toch het minste wat je kan doen. Je mag niet verwachten dat ik het hele terras vol plant om volledig zelfvoorzienend te worden met groenten en kruiden. Wanneer het dan niet lukt, zal ik het wel te horen krijgen van jou. Daarbij, er zou geen plaats meer overblijven om zelf van de zon te genieten in de ligstoelen.’
Alle begin is moeilijk, dat begrijpt ze maar al te goed, maar de opmerking was toch niet verwijtend? Ze moet inderdaad niet verwachten dat hij plotsklaps als volleerde tuinman op hun te kleine terras een mega-oogst zal kweken. Eigenlijk heeft ze zelfs niet verwacht dat hij zo snel zou beginnen. Zo gepassioneerd heeft ze hem zelden gezien, dat maakt het net zo moeilijk. De reactie is zo onverwacht en bruusk gekomen dat ze niet weet hoe ze ermee moet omgaan. Het is wel zeer leuk om hem gepassioneerd tewerk te zien gaan. Alleen zou hij zijn materiaal nog wel moeten leren wegbergen. Nu laat hij het altijd overal verspreid liggen. Ook zijn werkschoenen vergeet hij uit te doen wanneer hij binnenkomt om snel iets in zijn boek op te zoeken. Wanneer hij stopt met werken, kan zij met de dweil achter hem aanlopen. En zoals hij nu reageert, zal het voor haar niet zo makkelijk zijn hem duidelijk te maken dat dit niet kan. Het balkontuintje onderhouden begint dus wel te lukken, maar met een andere onhandigheid heeft hij de kraan in de open keuken geforceerd, waardoor deze nu niet volledig toe te draaien is. Naar een oplossing daarvoor heeft hij nog niet gezocht, dat is duidelijk.
De volgende avond zitten ze samen in de zetel TV te kijken. De traag lopende, misschien snel druppende kraan irriteert haar mateloos. Hoe kan hij dat nu verdragen? Is het omdat er een match van zijn favoriete voetbalploeg op TV wordt uitgezonden dat hij niets anders hoort dan de commentaarstem? Zoals steeds is zijn reactie op, volgens hem, foute verslaggeving, luidruchtig en boers. Heeft ze hem al niet voldoende gezegd zijn manieren te houden, zelfs thuis wanneer ze maar met twee zijn. En toch kan hij het niet laten, ze gaat er nog gek van worden. Samen met dat vervelend tikkende geluid wordt het voor haar teveel. Zonder een woord tegen Roger te zeggen, verlaat ze met veel gestommel de zetel, zet met een kwaad gezicht het glas bier op de onderlegger, die hij weer niet gebruikt, en slaat de deur van de slaapkamer hard toe om aan te geven dat hij die nacht niet welkom is.
Wat heeft hij heel de tijd over het hoofd gezien? Het moestuintje moet even rusten, alles is geplant. Dat kan toch geen kwaad? Het staat ook zo in de informatie die hij ondertussen in de bibliotheek is gaan lenen. Natuurlijk zal hij langs de doe-het-zelf gaan. Die kraan moet hersteld geraken. Om voor zo één kraan een vakman te laten komen is toch wel te gek. Maar ze mag niet verwachten dat hij zonder voorbereiding alles kan. Zelf vindt hij het een prestatie dat hij met de groenten begonnen is. Martine zal verschieten wanneer de eerste vruchten van zijn inspanningen te zien zullen zijn. Voorzichtig loopt hij naar achter en sluipt tussen de lakens. Geen beweging teveel, morgen gaat hij aan de slag.
Met een brochure en wat klein materiaal begint hij de volgende avond met de kraan los te draaien. Als beginneling is het niet eenvoudig, maar hij volgt nauwgezet de aanwijzingen op papier en herinnert ondertussen wat de behulpzame verkoper hem probeerde duidelijk te maken. Wonderlijk hoe hij dit uiteindelijk klaarspeelt. Hij verschiet van zichzelf en begint het vreemd te vinden dat hij vroeger nooit iets in huis heeft gedaan. Tevreden leunt hij met zijn armen tegen het aanrecht, toch even controleren of er geen druppel tevoorschijn komt. Martine is echter al met een zuur gezicht begonnen alle rommel van hem op te bergen en begint de keuken te kuisen. Terwijl ze warm water tapt zegt ze geen woord over de gemaakte kraan.
Roger heeft de beste vriendin van Martine kunnen overtuigen haar een dagje mee naar de zee te nemen. Blij dat ze even weg mag zodat ze haar zure gezicht even kan afleggen, gaat ze er graag op in. Ze kan het niet laten ’s morgens bij het afscheid Roger te verwittigen dat ze vandaag niet thuis wil komen om te kuisen. Roger lacht in zijn binnenste, want in stilte heeft hij reeds voorbereidingen gemaakt voor deze dag. De twee meter naast elkaar vindt hij al een tijd niet zo’n goed idee. Toen hij voor de kraan in de winkel was heeft hij van een andere behulpzame verkoper het materiaal met uitleg gekregen om een niet gebruikte hoek te benutten met een verhoogde meter. Onderaan kruiden die niet te hoog worden, bovenaan de groenten die ruimte nodig hebben. Met de tekening van de verkoper in de hand steekt hij alles snel in elkaar. Het cadeauboek geeft hem voldoende aanwijzing om scheuten en zaad te halen en zoals aangegeven te planten. Hij vergeet zelfs niet alles op te ruimen en de vloer te dweilen.
Wanneer Martine kort daarna thuis komt, ligt hij in een terraszetel van de late lentezon te genieten. Door het raam ziet zij onmiddellijk de mooie verandering. Samen met de geslaagde uitstap is dit zeker een leuke verrassing. Snel verdwijnt ze met haar aankopen naar achter. Met haar nieuwe zomershort en het gewaagde topje gaat ze met haar heupen wiegend voor hem staan vooraleer een lange zoen op zijn lippen te drukken.
06 mei 2017
buurtverhaal
03 april 2017
zevenenzeventig
B: Pardon. Zei u iets, mijnheer?
A: Welja. Ik zei, zevenenzeventig, ik vind dat een mooi getal.
B: Waarom begint u nu een woord te zeggen dat u mooi vindt? Heeft dat voor u een betekenis of zo, mijnheer?
A: Bah, dat schiet me ineens te binnen. En zeg nu zelf, … zevenenzeventig. Toch mooi hé. Ik spreek dat woord regelmatig uit. Nu we hier zitten, komt het ook weer ineens in mijn hoofd.
B: Dan moet u toch iets hebben met dat getal. Is er iets gebeurd in 1977 bijvoorbeeld, waardoor u hier iets mee associeert?
A: Ik vermoed dat er wel iets zal gebeurd zijn in 1977. Het zou vreemd zijn moest dat niet zo zijn, denk je niet?
B: Dat is zo, inderdaad. Ik kan over dat jaar niet meespreken. Is er dat jaar iets gebeurd waardoor het getal een bijzondere waarde kreeg?
A: Dat weet ik niet meer. Kan jij alles onthouden met jaartal en al erbij? Ik niet, dat heb ik trouwens nooit gekund.
B: Zo te horen heeft het dus niets met dat jaar te maken. Is er echt niets speciaal voorgevallen voor u?
A: Ik zou het niet weten. Wat is trouwens iets speciaal om een jaartal te onthouden?
B: U doet net als een politieker in een nieuwsuitzending wanneer een vervelende vraag gesteld wordt.
A: Hier begrijp ik niet wat je bedoelt.
B: Laat maar. Ik dacht dat u dat getal mooi vindt omdat er in 1977 iets memorabels gebeurd is.
A: Hoe? Is er iets gebeurd in 1977? Dan weet jij meer dan ik. Vertel eens. Is dat jaar bijzonder geweest? Ik herinner het mij niet.
B: Daar ging ons gesprek toch niet over. U zei mij op een moment gewoon dat u zevenenzeventig een mooi getal vindt. Ik vroeg mij af waarom dat zo is.'
A: Oh, allee. Zeg nu zelf. Dat klinkt toch mooi, ... zevenenzeventig. Ik hoor dat graag in ieder geval.
B: Dat kan ik begrijpen. Zijn er bijvoorbeeld ook namen die u mooi in de oren klinken?
A: Wat een stomme vraag. Natuurlijk hoor ik de namen van mijn kinderen en kleinkinderen graag. Maar dat heeft toch meer met de persoontjes dan met de naam te maken.
B: Natuurlijk, de persoon is belangrijker dan de naam. Maar ik wilde alleen maar polsen of u ook een voorkeur heeft voor een bepaalde naam. Net zoals u zich aan dat getal hecht.
A: Maar nee, ik zeg het. Hoe ze heten, vind ik niet zo belangrijk. Ik zie ze graag.
B: Is er dan niets anders, buiten dat getal, zevenenzeventig, dat u een mooi woord vindt. Ik vind bijvoorbeeld het rollen van de klanken in rododendronstruik zeer mooi. Wat vindt u daarvan?
A: Dat interesseert mij niet, jongen. Rollende klanken, het zegt mij niets. Ik ben niet zo met taal bezig. Het aantal boeken dat jij in de kast hebt zitten, gaat ver boven het aantal dat ik in heel mijn leven gelezen heb. Daar ben ik zeker van.
B: En toch zou u nog een woord mooi kunnen vinden om een welbepaalde reden, denk ik.
A: Maar ja, ik zei het toch. Zevenzeventig, dat vind ik een zeer mooi woord.
B: Ja, inderdaad, dat zei u. En dat is dan het enige woord dat u mooi vindt?
A: Ach jongen, vraag dat nog eens als ik zo oud ben. Dan ben ik misschien van gedacht veranderd.